|
Uitspraak
99/1681
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Als gemachtigde van appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te
Groningen, op de bij een aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden
hoger beroep ingesteld tegen een op 4 maart 1999 door de
Arrondissementsrechtbank te Groningen tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend en
desverzocht nog een afschrift van de Toeslagenverordening 1996 aan de
Raad doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van 6 maart 2001, waar partijen -
zoals vooraf
bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Op 25 februari 1997 heeft appellante zich tot gedaagde gewend om een
bijstandsuitkering aan te vragen. Blijkens het bij de aanvraag behorende
inlichtingenformulier en het intakegesprek woonde zij toen aan het
[adres] te [woonplaats] in een kamer boven de [naam bar], in welke bar
zij gemiddeld 25 uur per week tegen een loon van f 250,-- netto per
maand als oproepkracht werkzaam was voor [werkgever].
Bij besluit van 27 juni 1997 heeft gedaagde de aanvraag van appellante
afgewezen.
Gedaagde heeft het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar
bij het thans bestreden besluit van 25 november 1997 ongegrond verklaard
en de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd op de grond dat appellante
niet verkeert of dreigt te geraken in zodanige omstandigheden dat zij
niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien als bedoeld in artikel 7 van de Algemene
bijstandswet (Abw).
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden
besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante onder meer bestreden
dat appellante ten tijde als hier van belang 25 uur per week werkzaam is
geweest.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals de Raad eerder, onder meer op 17 oktober 2000 in het geding onder
nummer 98/5953 NABW, heeft uitgesproken moet ook onder de vigeur van de
Abw bij de vaststelling van de hoogte van inkomsten uit arbeid in
beginsel worden uitgegaan van de feitelijk verrichte werkzaamheden en de
inkomsten die daaruit daadwerkelijk worden verworven dan wel kunnen
worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen
zou ruimte kunnen zijn indien vaststaat dat de betrokkene aanspraak kan
doen gelden op een bepaalde honorering, bijvoorbeeld ingevolge een
geldende collectieve arbeidsovereenkomst of op basis van de Wet op het
minimumloon- en vakantiebijslag, en hij die ten onrechte niet ontvangt,
als de hoogte van de ontvangen inkomsten niet kan worden vastgesteld, of
als tegenover het verrichten van arbeid geen dan wel zo’n lage
beloning staat dat van een reële betaling voor die arbeid geen sprake
is.
Wat de feitelijke omvang van de werkzaamheden van appellante betreft,
stelt de Raad op grond van de bij de aanvraag en het intakegesprek
verstrekte gegevens eerst vast dat appellante ten tijde hier van belang
gemiddeld 25 uur per week als werkneemster in de horecasector werkzaam
was. Aan de Raad is niet genoegzaam kunnen blijken dat dit uitgangspunt
van gedaagde en de rechtbank onjuist was. Hiervan uitgaande en van het
door appellante opgegeven bedrag dat zij voor haar arbeid ontving, moet
worden gezegd dat van een reële betaling voor haar arbeid geen sprake
was. In het geval van appellante waren immers de bepalingen van de Wet
op het minimumloon- en vakantiebijslag voor personen van 23 jaar en
ouder van toepassing. Reeds op basis daarvan had appellante naar het
oordeel van de Raad een loon kunnen bedingen dat meer zou hebben
bedragen dan het voor haar als alleenstaande kamerbewoner geldende
normbedrag.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat gedaagde terecht heeft
aangenomen dat appellante ten tijde hier van belang niet verkeerde in
omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te
geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht, beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M.
van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van
B.M. Biever-
van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 april
2001.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|