|
Uitspraak
00/5519 NABW en 00/5520 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn,
appellant,
en
[gedaagde I] en [gedaagde II] (hierna: [gedaagde I] en [gedaagde II]),
beiden wonende te [woonplaats], gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 6
september 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagden heeft mr. L.A. van Kan, werkzaam bij het Bureau
Rechtshulp te Hoorn, een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22
april 2003, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
[gedaagde I], geboren in 1973, ontving een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande van 21
jaar of ouder. Op 19 november 1997 trad hij in het huwelijk met de toen 18-jarige
[gedaagde II] en ging in zijn woning met haar samenwonen.
Bij besluit van 17 december 1997 heeft appellant de bijstandsverlening
met ingang van 19 november 1997 herzien en voortgezet naar het in
artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw genoemde
normbedrag voor gehuwden waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en
de andere echtgenoot 21 jaar of ouder (ten tijde hier van belang f
1.343,91). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard
bij besluit van 19 mei 1998, op grond van onder meer de volgende
overwegingen:
"U geeft aan dat de ouders van mevrouw [gedaagde I] niet
draagkrachtig zijn. Op grond van artikel 10 van de Abw kunt u een
aanvraag indienen voor bijzondere bijstand. In de hoorzitting van 17
april 1998 heeft u aangegeven dat u reeds een aanvraag voor bijzondere
bijstand heeft ingediend. Bij de behandeling van die aanvraag zal
onderzocht worden of u recht heeft op bijzondere bijstand ter aanvulling
op de reeds toegekende algemene bijstand.
Uw bezwaar is echter gericht tegen het besluit waarbij de hoogte van de
algemene bijstand is gewijzigd en werd vastgesteld op de norm voor een
echtpaar waarvan één van de partners 18, 19 of 20 is. Aangezien al
eerder is vastgesteld dat de hoogte van de aan u toegekende algemene
bijstand conform de wettelijke normen is, zijn er geen redenen het
besluit van 17 december 1997 te herzien."
Appellant heeft bij besluit van 4 mei 1998 de op 19 maart 1998 door
gedaagden ingediende aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Volgens
appellant was er geen noodzaak voor [gedaagde II] om in verband met haar
huwelijk niet langer bij haar ouders in te wonen, zodat er evenmin een
noodzaak was tot het verlenen van aanvullende bijzondere bijstand.
Appellant heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond
verklaard bij besluit van 27 oktober 1998.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake
griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 27 oktober 1998
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant
opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar
uitspraak.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte de
beoordeling van de noodzaak tot zelfstandig wonen van [gedaagde II]
buiten beschouwing gelaten.
De Raad overweegt naar aanleiding hiervan het volgende.
Artikel 10 van de Abw luidt als volgt:
"Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op
bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan
uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten
geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te
gelde kan maken."
Bij de beoordeling van een aanvraag op grond van artikel 10 van de Abw
dient als eerste de vraag te worden beantwoord of is voldaan aan de
voorwaarde dat de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de
toepasselijke bijstandsnorm.
Gedaagden vormden vanaf 19 november 1997 als gehuwden zonder kinderen
een gezin. In verband met hun beider leeftijd was de bijstandsnorm
genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw van
toepassing. Deze norm is opgebouwd uit (de som van) de normbedragen die
voor elk van de echtgenoten als alleenstaande zouden hebben gegolden.
Voor [gedaagde II] was de bijstandsnorm, als zij alleenstaande zou zijn
geweest, f 345,13 gedurende het tweede halfjaar van 1997. De ratio van
dit lage normbedrag, dat gelijk is aan het niveau van de kinderbijslag,
is gelegen in de in artikel 1: 395a, eerste lid, van het Burgerlijk
Wetboek (BW) opgenomen verplichting van ouders te voorzien in de kosten
van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de
leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt. Uit de artikelen 1: 397 en 1:
398 van het BW blijkt dat de ouders zich van deze onderhoudsplicht
kunnen kwijten door verstrekking van het volgens de wet verschuldigde
bedrag voor levensonderhoud aan dat kind of door het kind bij zich te
laten wonen en aldaar van het nodige te voorzien. Dat is niet anders
indien de jongmeerderjarige gehuwd is. De eventuele noodzaak van
zelfstandig wonen van de jongmeerderjarige met de daaruit voortvloeiende
(hogere) kosten van het bestaan van die jongmeerderjarige moet naar het
oordeel van de Raad in het licht hiervan worden beoordeeld. Hieruit
vloeit voort dat in dat verband uitsluitend van belang is of in de
positie van de jongmeerderjarige en diens ouders en de tussen hen
bestaande situatie sprake is van omstandigheden op grond waarvan
aannemelijk is dat (voortzetting van) de inwoning niet (langer) van de
jongmeerderjarige kan worden gevergd.
Aldus gaat het in dit geding (primair) om de vraag of, met inachtneming
van deze beoordelingsmaatstaf, aannemelijk is dat het vertrek van
[gedaagde II] uit de ouderlijke woning op 19 november 1997 noodzakelijk
was. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden
die een bevestigend antwoord op deze vraag rechtvaardigen of die
appellant aanleiding hadden moeten geven een (nader) onderzoek in te
stellen.
Een afzonderlijke beoordeling van de stelling van gedaagden dat het voor
hun relatie noodzakelijk was dat zij gingen trouwen en in de woning van
[gedaagde I] gingen samenwonen, is gelet op het hiervoor overwogene niet
aan de orde. De Raad gaat daarom voorbij aan hetgeen zij, met verwijzing
naar hun geloofsovertuiging, daarover hebben aangevoerd.
Gelet op het voorgaande concludeert de Raad dat niet aannemelijk is
geworden dat ten tijde hier van belang sprake was van hogere
noodzakelijke kosten van het bestaan van [gedaagde II] in de zin van
artikel 10 van de Abw. Daarmee kan onbesproken blijven of aan een van de
twee andere voorwaarden van artikel 10 van de Abw zou zijn voldaan.
De in het verweerschrift opgenomen verwijzing naar de "analyse
bijzondere bijstand" van de gemeente Hoorn van 4 september 1998 kan
gedaagden niet baten. Vaststaat immers dat appellant daaraan pas
consequenties heeft verbonden voor de verlening van bijzondere bijstand
vanaf 1 januari 1999, terwijl het in beroep bestreden besluit dateert
van 27 oktober 1998.
De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de
rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit
van 27 oktober 1998 ongegrond verklaren.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs.
Th.G.M. Simons en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in
tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2003.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|