|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/857 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de president van de rechtbank Amsterdam
op 21 december 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Als gemachtigde van gedaagde heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat te
Amsterdam, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 augustus 2003, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de
gemeente Amsterdam. Gedaagde is niet verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de stukken en het ter zitting verhandelde de
volgende van belang zijnde gegevens.
Gedaagde, van Turkse nationaliteit, heeft volgens zijn verklaring vanaf
1990 in Nederland verbleven. Hij is in 1991 gehuwd en [in] 1996
gescheiden. Zijn paspoort is in 1998 door de Vreemdelingendienst
ingenomen. Op 30 november 1999 heeft gedaagde in het kader van de
Tijdelijke Regeling Witte Illegalen een verzoek om verlening van een
vergunning tot verblijf in Nederland ingediend. Ter zitting van de Raad
is meegedeeld dat op dit verzoek afwijzend is beslist.
Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van 1 december 1999
is aan gedaagde met ingang van 7 januari 2000 een uitkering toegekend
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Bij zijn besluit van 25 april 2000 heeft appellant die uitkering met
ingang van 1 juni 2000 ingetrokken op de grond dat gedaagde niet langer
een geldige verblijfsstatus heeft.Bij besluit van 6 oktober 2000 heeft
appellant het door gedaagde tegen het besluit van 25 april 2000 gemaakte
bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank, onder
bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, voorzover hier van
belang, het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2000 gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad heeft het volgende overwogen.
De Raad stelt vast dat gedaagde op grond van de Nederlandse rechtsregels
op de in dit geding relevante datum, zijnde 1 juni 2000, geen recht had
op een uitkering ingevolge de Abw. Hij was immers geen vreemdeling in de
zin van artikel 1b, aanhef en onder 1 (oud), van de Vreemdelingenwet (Vw)
en hij kon ook niet op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid
(oud), van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid (oud), van het
Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (Stb. 1998, 308)
met een Nederlander worden gelijkgesteld.
Ter beoordeling staat derhalve of de intrekking van gedaagdes
bijstandsuitkering als strijdig met regels van internationaal of
supranationaal recht kan worden bestempeld.
De president van de rechtbank heeft die vraag in de aangevallen
uitspraak bevestigend beantwoord op grond van de volgende overwegingen,
waarin gedaagde als verzoekster is aangeduid:
"In zijn uitspraak van 6 juni 2000 heeft de president geoordeeld
dat de beëindiging van de bijstandsverlening heeft plaatsgehad op een
tijdstip waarop verzoeker in afwachting was van een besluit op zijn
aanvraag om afgifte van een verblijfsvergunning en derhalve op voet van
artikel 1b, aanhef en onder 3, Vw gerechtigd was om in Nederland te
verblijven. Tevens is geoordeeld dat, nu sprake is van een zodanig
rechtmatig verblijf, verzoeker behoort tot de categorie van
vreemdelingen ten aanzien waarvan onverkorte toepassing van artikel 7,
tweede lid, Abw, in het licht van het in artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR)
neergelegde discriminatieverbod, disproportioneel is.
De president stelt vast dat verzoekers situatie nadat voormelde
uitspraak is gewezen niet is gewijzigd. Dit betekent dat hij nog immer
rechtmatig in Nederland verblijft in vorenomschreven zin en dat hij voor
de beoordeling van het recht op bijstand nog immer gelijkgesteld moet
worden met een Nederlander. Het een en ander houdt in dat het bepaalde
in artikel 7, tweede en derde lid, Abw wegens strijd met artikel 26
IVBPR ten aanzien van verzoeker buiten toepassing dient te
blijven."
De Raad kan zich niet met de aangevallen uitspraak en de daarin gegeven
overwegingen verenigen. Hij verwijst in dit verband naar zijn uitspraken
van 26 juni 2001, onder meer gepubliceerd in USZ 2001/183 en 186. In die
uitspraken heeft de Raad bij de toetsing van de Koppelingswet aan
artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten (IVBPR) tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt
van die wet wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de
Raad in het algemeen niet op bedenkingen stuit en in ieder geval ten
volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om
toelating verzoekt en dat dit ook geldt voor de categorie vreemdelingen
genoemd in artikel 1b, aanhef en onder 3, (oud) van de Vw. Voorts heeft
de Raad geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving
zoals deze gestalte heeft gekregen in onder meer de Abw in ieder geval
ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli
1998 om toelating verzoekt.
Gedaagde heeft op 1 december 1999 een aanvraag ingediend om toelating in
Nederland. Hij behoort daarmee tot de categorie vreemdelingen die op of
na 1 juli 1998 om toelating heeft verzocht en voor wie blijkens de
hiervoor vermelde uitspraken de gerechtvaardigd-heid van de
koppelingswetgeving ten volle opgaat. Dit betekent dat de beëindiging
van de bijstandsuitkering van gedaagde per 1 juni 2000 niet als strijdig
met artikel 26 van de IVBPR kan worden bestempeld. Het gegeven dat
gedaagde op die datum in afwachting was van een definitieve beslissing
op het verzoek om toelating van 10 december 1998 maakt dat niet anders.
Aan gedaagde is over de periode van 7 januari 2000 tot 1 juni 2000 een
bijstandsuitkering verleend op basis van het vonnis in kort geding van
de president van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 oktober 1998, nr.
98/1056. Bij arrest van 1 februari 2002, nr. C00/090HR (LJN AD6622)
heeft de Hoge Raad inmiddels geoordeeld dat de omstandigheid dat het
verblijf van een vreemdeling ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 3,
(oud) van de Vw als rechtmatig wordt aangemerkt, niet met zich brengt
dat dit verblijf ook als rechtmatig moet worden aangemerkt in de zin van
artikel 11, onder a, van het Europees Verdrag voor Sociale en Medische
Bijstand (EVSMB). Daartoe is overeenkomstig het bepaalde in dat artikel
vereist dat de vreemdeling beschikt over een door de Staat verstrekte
vergunning of andere vergunning. De omstandigheid dat het verblijf
ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 3 (oud), van de Vw als rechtmatig
wordt aangemerkt, rechtvaardigt niet de conclusie dat de vreemdeling
over een dergelijke vergunning zou beschikken. Aangenomen moet derhalve
worden dat het EVSMB de verdragsstaten ten aanzien van deze categorie
vreemdelingen geen plicht tot bijstandsverlening oplegt.
Het vorenoverwogene leidt ertoe dat gedaagde, nu niet is gebleken dat
hij over een soortgelijke vergunning als bedoeld in artikel 11, onder
a, van het EVSMB beschikt, aan dat verdrag geen aanspraken op een
bijstandsuitkering kan ontlenen. Nu evenmin is gebleken dat gedaagde ten
tijde van belang aan een andere regel van internationaal of
supranationaal recht aanspraak op bijstand kon ontlenen, heeft appellant
de uitkering van gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht met
ingang van 1 juni 2000 beëindigd.
Voorzover aangevochten, dient de aangevallen uitspraak op grond van het
vorenoverwogene te worden vernietigd.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten in tegenwoordigheid van mr. P.E.
Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 september
2003.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.E. Broekman.
|
|