|
Uitspraak
01/4095 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de bij het beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
's-Gravenhage van 12 juni 2001, reg.nr. 00/7254 ABW, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding daarvan
heeft appellant een schriftelijke reactie (met nadere stukken)
ingezonden.
Gedaagde heeft schriftelijk enkele door de Raad aan hem voorgelegde
vragen beantwoord en daarbij een nader stuk ingezonden. Appellant heeft
daarop schriftelijk gereageerd en daarbij een ander stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 augustus 2003, waar appellant
in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door drs. P.A. Aerts, werkzaam bij de gemeente Wassenaar.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 13 maart 1996 heeft gedaagde de bijzondere bijstand van
appellant voor dieet- en stookkosten voortgezet en daarbij als
draagkrachtperiode vastgesteld 1 januari 1996 tot en met 31 augustus
1996. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
Met ingang van 1 september 1996 is aan appellant een ouderdomspensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet toegekend.
Bij besluit van 20 november 1996 heeft gedaagde aan appellant voor de
periode van 1 juli 1996 tot en met 31 augustus 1996 opnieuw bijzondere
bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag toegekend. Daarbij is
tevens medegedeeld dat de bijzondere bijstand per 1 september 1996 zal
eindigen (lees: is geëindigd) en dat bij een eventuele aanvraag om
bijzondere bijstand per 1 september 1996 deze wellicht in de vorm van
een geldlening onder verband van een krediethypotheek zal worden
verleend, waarbij - anders dan voorheen - het bedrijfsgedeelte van de
woning van appellant in de berekening voor een krediethypotheek zal
worden meegenomen. Bij besluit op bezwaar van 4 maart 1997 heeft
gedaagde het besluit van 20 november 1996 gehandhaafd. Bij uitspraak van
22 april 1998 heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit
van 4 maart 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen die
uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 3 april 2000 heeft appellant aan gedaagde onder meer het
volgende bericht:
"(...)
Per 20-09-1996, de dag waarop ik 65 jaar op deze aarde verbleef, verviel
mijn recht op Algemene Bijstand omdat de Algemene Ouderdoms Wet de
verantwoordelijkheid voor onze algemene kosten van levensonderhoud
overnam.
Maar voor de Bijzondere Bijstand veranderde er niets: Onze
woningsituatie veranderde niet en mijn invaliditeit werd alleen maar
erger.
Toch werd per september 1996 de Bijzondere Bijstand stopgezet.
Dit betrof een daad van onzorgvuldig bestuur.
Ik verzoek u hierbij deze fout te herstellen en zonder een nieuw
vrijstellingsbedrag te bepalen (...) de uitkering van de
woonkostenbijdrage in het kader van de Bijzondere Bijstand met
terugwerkende kracht tot augustus 1996 uit te betalen.
Tevens verzoek ik u de aan mij tot september 1996 uitbetaalde Bijzondere
Bijstand in verband met mijn invaliditeit te hervatten, dit ook met
terugwerkende kracht tot augustus 1996."
Gedaagde heeft deze brief aangemerkt en in behandeling genomen als
bezwaarschrift tegen de beëindiging van de bijzondere bijstand per 1
september 1996, neergelegd in de besluiten van 13 maart 1996 en 20
november 1996.
Bij besluit van 16 mei 2000 heeft gedaagde het bezwaar niet-ontvankelijk
verklaard, omdat ten aanzien van het besluit van 13 maart 1996 sprake is
van termijnoverschrijding en ten aanzien van het besluit van 20 november
1996 al een bezwaarschriftprocedure was doorlopen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 16 mei 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad is van oordeel dat de brief van appellant van 3 april 2000 naar
zijn inhoud en strekking niet moet worden aangemerkt als een
bezwaarschrift, maar als een verzoek om terug te komen van de in rechte
onaantastbaar geworden besluiten van 13 maart 1996, respectievelijk 20
november 1996 (en 4 maart 1997). Dat appellant - zelf - in de aanhef van
deze brief heeft vermeld "BEZWAARSCHRIFT tegen stopzetting
Bijzondere bijstand R. Blöte per september 1996" doet daaraan geen
afbreuk.
Gedaagde heeft derhalve ten onrechte de brief van appellant van 3 april
2000 aangemerkt en in behandeling genomen als bezwaarschrift, en
eveneens ten onrechte een - inhoudelijke - beoordeling van het in deze
brief neergelegde verzoek achterwege gelaten. De rechtbank heeft dit
miskend.
Uit het voorgaande volgt dat, met vernietiging van de aangevallen
uitspraak, het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit
van 16 mei 2000 dient te worden vernietigd. De Raad zal daarbij bepalen
dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak alsnog een - primair -
besluit dient te nemen op het in de brief van appellant van 3 april 2000
neergelegde verzoek.
Met het oog daarop merkt de Raad nog het volgende op.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel
4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, mag van degene die - zoals in dit
geval - een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen
besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw
gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een
terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten en
omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder
nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Van kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan
hebben, is de Raad ten slotte niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 mei 2000;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak alsnog een
primair besluit neemt op het in de brief van appellant van 3 april 2000
neergelegde verzoek;
Bepaalt dat de gemeente Wassenaar aan appellant het betaalde
griffierecht van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J.M.A.
van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in
tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|