|
Uitspraak
00/3836 NABW en 00/3837 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellanten hebben op de bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 21 juni 2000
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29
juli 2003, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft aan appellanten over de periode van 1 januari 1996 tot en
met 31 december 1996 algemene bijstand ingevolge de Algemene
bijstandswet en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen verleend,
voorlopig in de vorm van een geldlening.
Bij besluit van 25 mei 1998 heeft gedaagde de hoogte van de bijstand om
niet definitief vastgesteld op een bedrag van f 15.273,51. Tevens is bij
dat besluit de in de vorm van een geldlening gehandhaafde bijstand ten
bedrage van f 10.291,33 van appellanten teruggevorderd.
Appellanten hebben tegen het besluit van 25 mei 1998 geen bezwaar
gemaakt maar bij brief van 9 oktober 1998 aan gedaagde verzocht zich nog
eens over het besluit van 25 mei 1998 te willen buigen.
Bij twee gelijkluidende, aan elk van appellanten gerichte besluiten van
20 oktober 1998 heeft gedaagde appellanten doen weten dat het besluit
van 25 mei 1998 onverkort gehandhaafd blijft.
Bij twee op 4 maart 1999 genomen besluiten heeft gedaagde - voorzover
van belang - de bezwaren tegen de besluiten van 20 oktober 1998
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak van 21 juni 2000, zoals gerectificeerd bij
brief van 29 juni 2000, is het beroep tegen de besluiten van 4 maart
1999 ongegrond verklaard.
Appellanten kunnen zich met die uitspraak niet verenigen.
De Raad heeft het volgende overwogen.
Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellanten strekt ertoe dat
gedaagde terugkomt van zijn eerdere besluit van 25 mei 1998, welk
besluit in rechte onaantastbaar is geworden omdat appellanten daartegen
geen bezwaar hebben gemaakt.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel
4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een
bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug
te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of
veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen
rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder
nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Bij hun verzoek hebben appellanten aangevoerd dat zij de hun verleende
bijstand hebben aangewend voor het aflossen van schulden en dat het
negatieve bedrijfsresultaat daardoor alleen maar is opgelopen. Daarbij
gaat het niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in
vorenbedoelde zin maar om een argument dat in bezwaar tegen het besluit
van 25 mei 1998 naar voren had kunnen worden gebracht.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van
artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de
motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het
besluit van 25 mei 1998. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden
gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik
heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd
met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen
rechtsbeginsel.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voorzover
aangevochten.
Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt aan de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. Ch. de Vrey en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van
mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21
oktober 2003.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) P.C. de Wit.
|
|