|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/2481 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Appingedam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen, op de bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 maart 2001, reg.nr.
00/608 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 september 2003, waar
appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door A. Jager, werkzaam bij de gemeente Appingedam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Gedaagde heeft appellante bij besluit van 7 oktober 1996 met ingang van
1 september 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)
toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar.
Daarbij is gedaagde afgegaan op de eigen verklaring van appellante dat
zij, anders dan de gemeentelijke basisadministratie (hierna: het GBA)
vermeldde, in werkelijkheid was [appellante], geboren op 15 mei 1978.
Op verzoek van mr. Ilahi heeft gedaagde bij besluit van 30 september
1998 de uitkering van appellante vanaf 1 september 1996 herzien op basis
van de omtrent appellante in het GBA opgenomen persoonsgegevens, te
weten: J. A., geboren op 15 mei 1967, en alsnog bijstand toegekend naar
de norm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder. Als gevolg
daarvan is aan appellante een nabetaling verricht.
Na een door appellante gestarte civielrechtelijke procedure met als
inzet de wijziging van haar persoonsgegevens is appellante met ingang
van 19 april 1999 in het GBA van Appingedam ingeschreven als
[appellante], geboren op 15 mei 1978.
Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde de uitkering van appellante bij
besluit van 26 mei 1999 eerst herzien van 19 april 1999 tot 15 mei 1999
en voorts bij besluit van 7 september 1999 tevens van 1 september 1996
tot 19 april 1999, in beide gevallen naar de norm voor een alleenstaande
ouder jonger dan 21 jaar.
Bij besluit van 12 april 2000 heeft gedaagde het tegen het besluit van 7
september 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 12 april 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad stelt voorop dat bij de toepassing van leeftijdsafhankelijke
normen als bedoeld in artikel 29 en 30 van de Abw de feitelijke situatie
doorslaggevend is.
Na het voeren van gerechtelijke procedures, het afleggen van een
verklaring onder ede door appellante, hetgeen als een brondocument als
bedoeld in de Wet op de GBA is aan te merken, en de daarop volgende
inschrijving bij het GBA per 19 april 1999, waarbij als geboortedatum 15
mei 1978 is vermeld, moet er voor de toepassing van de Abw van worden
uitgegaan dat de laatstvermelde gegevens de juiste zijn. Dit betekent
dat gedaagde op goede gronden met ingang van 1 september 1996 is
overgegaan tot herziening van de toegepaste bijstandsnorm, tot welke
herziening zij vanaf 1 juli 1997 bovendien gehouden was.
De enkele omstandigheid dat de personalia van appellante in het GBA niet
met terugwerkende kracht tot een datum gelegen vóór 19 april 1999 zijn
of konden worden gewijzigd, doet aan het voorgaande niet af. De formele
registratie in het GBA vormt weliswaar in beginsel een aanknopingspunt
voor de persoonsgegevens van een belanghebbende, maar dit betekent niet
dat daar voor wat betreft de toepasselijke bijstandsnorm zonder meer
dient bij te worden (blijven) aangesloten. Dit geldt temeer indien,
zoals in dit geval, vast is komen te staan dat de eerdere
inschrijvingsgegevens niet in overeenstemming waren met de werkelijke
situatie.
Voorzover appellante nog beoogd heeft aan te voeren dat zij erop mocht
vertrouwen dat gedaagde zich voor wat betreft de toepassing van de
bijstandsnormen aan zou (blijven) sluiten bij de formele registratie in
het GBA kan de Raad appellante niet volgen. De Raad volstaat in dit
verband met verwijzing naar de brief van gedaagde aan appellante van
17 augustus 1998, waarin is aangegeven dat de aanvankelijk toegekende
bijstandsnorm op uitdrukkelijk verzoek van appellante zal worden
gewijzigd (lees: verhoogd), maar ook dat deze wijziging na afloop van de
gerechtelijke wijzigingsprocedure tot gevolg kan hebben dat te zijner
tijd alsnog weer tot herziening/ terugvordering dient te worden
overgegaan.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30
september 2003.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) van B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|