|
Uitspraak
01/860 BZ en 01/863 BZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. A.M. Rottier, advocaat te 's-Hertogenbosch,
op de bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen
de door de rechtbank Middelburg op 3 januari 2001 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 augustus 2003, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Rottier, terwijl gedaagde
zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant exploiteerde sinds 1990 als zelfstandige een meet- en
regeltechnisch installatiebedrijf.
Op 26 oktober 1993 heeft hij bij gedaagde een aanvraag om bijstand in de
kosten van levensonderhoud ingediend omdat hij tijdelijk geen werk als
zelfstandige had.
Bij besluit van 27 mei 1994 heeft gedaagde appellant met toepassing van
artikel 26 van het Bijstandsbesluit zelfstandigen over de periode van 26
oktober 1993 tot en met 30 april 1994 bijstand ter voorziening in de
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan verleend, terwijl hem met
ingang van 1 mei 1994 uitkering is verleend op grond van de
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers.
Het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 1994, dat zich er tegen richtte
dat appellant geen bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal was
verleend, heeft - uiteindelijk - geleid tot het besluit van gedaagde van
22 november 1995 waarbij de uitkering ter voorziening in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan met ingang van 15 november 1995 is
beëindigd en waarbij is bepaald dat aan appellant een geldlening van f
100.000,-- zal worden toegekend, dit na ondertekening van de bijgevoegde
akte van geldlening door appellanten.
Op 21 mei 1996 hebben appellanten de akte van geldlening ondertekend
waarna hun de lening van f 100.000,-- is uitbetaald.
Bij besluit van 23 februari 2000 heeft gedaagde met toepassing van
artikel 83, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) de kosten van
bijstand tot een bedrag van f 80.699,19 van appellanten teruggevorderd
op de grond dat zij de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen
niet nakomen.
Bij besluit van 6 juni 2000 heeft gedaagde het tegen het besluit van 23
februari 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 6 juni 2000 ongegrond verklaard.
De Raad heeft het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Abw worden kosten van bijstand
verleend in de vorm van een geldlening van de belanghebbende
teruggevorderd, indien hij de uit de geldlening voortvloeiende
verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.
Appellanten hebben in hoger beroep, evenals in beroep, in de eerste
plaats aangevoerd dat de lening hun niet op grond van de
bijstandswetgeving is verleend. Voorts hebben zij betoogd dat de lening
niet van hen kan worden teruggevorderd. Appellant heeft op 30 september
1997 [bedrijfsnaam] opgericht en daarin ingebracht de door hem voorheen
geëxploiteerde eenmanszaak, inclusief de schuld aan gedaagde. Gedaagde
is daarvan bij brief van 14 oktober 1997 door de accountant van
appellant op de hoogte gesteld. Omdat gedaagde niet op die brief heeft
gereageerd en tevens zonder meer een op 13 februari 1998 door de
vennootschap gedane aflossing van f 10.000,-- heeft geaccepteerd, mocht
appellant er naar zijn oordeel van uitgaan dat gedaagde zijn toestemming
als bedoeld in artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek had
gegeven voor de overgang van de onderhavige schuld van appellant op de
vennootschap.
De eerste grief van appellanten faalt. Gezien de stukken is het evident
dat de onderhavige geldlening appellanten op grond van de
bijstandswetgeving is verleend. Appellanten hebben ook geen andere
(wettelijke) basis kunnen noemen voor de verstrekking van de lening door
gedaagde aan appellanten.
Ook de tweede grief faalt. De rechtbank heeft te dien aanzien in de
aangevallen uitspraak, waarin appellanten als eisers en gedaagde als
verweerder zijn aangeduid, het volgende overwogen.
"In artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
is bepaald dat een schuld van de schuldenaar overgaat op een derde,
indien deze haar van de schuldenaar overneemt. De schuldovername heeft
pas werking jegens de schuldeiser, indien deze zijn toestemming geeft
nadat partijen hem van de overneming in kennis hebben gegeven.
Naar het oordeel van de rechtbank is aan de vereisten voor de werking
van schuldoverneming niet voldaan. De rechtbank neemt hierbij in
aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat verweerder naar aanleiding
van de melding van de accountant van eisers van 14 oktober 1997 dat de
eenmanszak per 1 januari 1997 was ingebracht in [bedrijfsnaam 2] met als
gevolg overname door de B.V. van de schuld vanaf 1 januari 1997, met
overneming van de schuld concreet heeft ingestemd.
Het gegeven dat verweerder naar aanleiding van die melding van de
accountant niet onmiddellijk de geldlening aan eisers heeft beëindigd
en door de vennootschap gedane betalingen heeft geaccepteerd brengt niet
mee dat van toestemming als in artikel 155 bedoeld kan worden
gesproken."
De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de overwegingen
die daartoe hebben geleid. De Raad voegt daaraan nog toe dat ook het
bepaalde in artikel 15 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
er aan in de weg staat om aan te nemen dat gedaagde de vereiste
toestemming heeft gegeven. Ingevolge die bepaling wordt immers slechts
bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan de
zelfstandige die zijn bedrijf in de vorm van een besloten vennootschap
uitoefent verleend, indien hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uit de
bijstandsverlening voortvloeiende verplichtingen wordt aanvaard door
alle vennoten.
De Raad is voorts van oordeel dat van appellanten had mogen worden
verwacht dat zij gedaagde tijdig hadden geïnformeerd over hun voornemen
de eenmanszaak in een besloten vennootschap in te brengen omdat nog
slechts een relatief gering bedrag op de geldlening was afgelost.
Gedaagde had dan ter zake een beraden standpunt kunnen innemen. Het
verwijt van appellanten, dat zij doordat gedaagde niet op de brief van
de accountant van 14 oktober 1997 heeft gereageerd, in een nadelige
positie zijn gebracht, treft naar het oordeel van de Raad dan ook geen
doel.
Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat appellanten
verplicht waren de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen na de
te komen. Omdat zij dat hebben nagelaten, was gedaagde gehouden de
kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen.
Aan de Raad is niet gebleken dat in het geval van appellanten sprake is
van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw
op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien. Dat appellanten, gelet op hun inkomen, niet
tot terugbetaling in staat zijn, vormt geen dringende reden als bedoeld.
De Raad wijst er in dit verband nog op dat appellanten aan gedaagde om
een betalingsregeling kunnen verzoeken, waarbij de aflossingsbedragen
zodanig worden vastgesteld dat zij blijven beschikken over een inkomen
gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding tot een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van
der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid
van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7
oktober 2003.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.E. Broekman.
|
|