|
Uitspraak
01/2258 NABW
U I T S PR A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasbree,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. M.N. van Geenen, advocaat te Venlo, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
een door de rechtbank Roermond op 1 maart 2001 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad
enkele nadere stukken ingezonden.
Het geding is, gevoegd met de gedingen met nummer 00/5032 NABW en 02/844
NABW, behandeld ter zitting van 29 juli 2003, waar appellante is
verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van Geenen, en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. C.H.A.M. Weterings, werkzaam
bij de gemeente Maasbree. Na de gevoegde behandeling zijn de gedingen
weer gesplitst. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellante ontvangt sedert 1 februari 1994 een bijstandsuitkering, vanaf
1 april 1996 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Zij is gehuwd geweest met [ex-echtgenoot] (hierna: [ex-echtgenoot]) en
heeft twee dochters, die geboren zijn op 28 februari 1978 en 15 februari
1981. Ingevolge een notariële transportakte van 26 juli 1985 bezitten
beide dochters de blote eigendom van de door appellante bewoonde
voormalige echtelijke woning c.a. op het adres [adres] te [woonplaats]
en is deze woning belast met de levenslange zakelijke rechten van
gebruik en bewoning ten behoeve van appellante en [ex-echtgenoot], wiens
recht door het metterwoon verlaten van de woning inmiddels teniet is
gegaan.
De bijstand is aanvankelijk wegens overwaarde van de woning in de vorm
van een lening onder verband van hypotheek verleend en later om niet
voortgezet. Van meet af aan is appellante tevens een woonkostentoeslag
verleend op grond van artikel 6c van het Bijstandsbesluit landelijke
normering, na inwerkingtreding van de Abw
voortgezet in de vorm van bijzondere bijstand. Na vertrek van de laatste
inwonende dochter uit voormelde woning is de uitkering van appellante
met ingang van 1 januari 1999 omgezet in een uitkering naar de norm voor een
alleenstaande, waarbij de eerder toegekende bijzondere bijstand ter zake
van woonkosten is gehandhaafd.
Bij besluit van 21 maart 2000 heeft gedaagde de bijzonderde bijstand ter
zake van woonkosten ten bedrage van f 321,-- per maand beëindigd met
ingang van 1 mei 2000 op de grond dat appellante niet de juridisch
eigenaar van de woning is en derhalve niet verantwoordelijk gesteld kan
worden voor de betaling van de woonlasten. Daarbij is appellante onder
meer de suggestie gedaan een huurcontract te sluiten met de eigenaren
van de woning, waarna zij mogelijk voor huursubsidie in aanmerking kan
komen en aldus een voorliggende voorziening kan benutten.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit van
5 juni 2000 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde zich op het
standpunt gesteld dat de door de bijzondere bijstand gedekte kosten voor
appellante geen bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan als
bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw
zijn, aangezien zij noch eigenaar noch huurder is van de door haar
bewoonde woning. Daaraan is nog toegevoegd dat appellante afstand zou
kunnen doen van het zakelijk recht van gebruik en bewoning en zou kunnen
verhuizen naar een andere woning.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 5 juni 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen het oordeel van
de rechtbank gekeerd. Daarbij is primair aangevoerd dat gedaagde op
onjuiste gronden tot beëindiging van de onderwerpelijke bijzondere
bijstand is overgegaan en subsidiair dat dat besluit is genomen in
strijd met het vertrouwensbeginsel. In dat kader is er op gewezen dat de
bijzondere bijstand ook na het vertrek van de laatste inwonende dochter
vanaf 1 januari 1999 normaal is gecontinueerd en dat appellante
sedertdien consequent door derden als (economisch) eigenaar dan wel als
betalingsplichtige voor de vaste woonlasten is en nog steeds wordt
benaderd.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Abw
heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand
voorzover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het
bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders
niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1,
paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
De Raad neemt bij de beoordeling van de vraag of de in geding zijnde
woonkosten voor appellante als kosten in de zin van artikel 39, eerste
lid, van de Abw kunnen worden
aangemerkt als uitgangspunt de akte van eigendomsoverdracht van 26 juli
1985. Daarbij hebben appellante en haar toenmalige echtgenoot zich
expliciet verbonden om, zolang zij het zakelijk recht van gebruik en
bewoning hebben, de op de woning rustende zakelijke lasten te voldoen.
Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het aangaan van
de verplichting onder de destijds geldende omstandigheden als apert
ongebruikelijk of onredelijk was aan te merken. De Raad stelt vast dat
het enkele tijdsverloop noch de gewijzigde omstandigheden door het
vertrek van de dochters uit de woning zonder meer met zich brengen dat
appellante niet meer gehouden is de betreffende lasten te voldoen.
Daaraan kan naar het oordeel van de Raad niet afdoen dat appellante niet
de juridische eigendom heeft van de betreffende woning, aangezien dit
feit appellante niet ontheft van haar notarieel vastgelegde verplichting
om als zakelijk gerechtigde de woonlasten, waaronder de hypotheeklasten,
te blijven voldoen. Met betrekking tot de gedane suggesties om een
huurcontract af te sluiten wijst de Raad erop dat daarvoor in ieder
geval de medewerking van de eigenaars van de woning is vereist, terwijl
aan het doen van afstand van het zakelijk recht van gebruik en bewoning
diverse, niet te overziene consequenties kunnen zijn verbonden en een
daadwerkelijke verhuizing naar een andere woning voor appellante niet
noodzakelijkerwijs tot minder woonlasten behoeft te leiden.
Een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat in het geval van
appellante de ten tijde in geding voor haar rekening komende woonlasten,
zoals die bij de berekening van de woonkostentoeslag tot 1 mei 2000 in
aanmerking zijn genomen, tot de uit bijzondere omstandigheden
voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan moeten worden
gerekend. Dit betekent dat gedaagde ten onrechte tot beëindiging van de
woonkostentoeslag per 1 mei 2000 is overgegaan. Het bestreden besluit
komt derhalve wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking evenals de
aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten.
De Raad ziet onder de gegeven omstandigheden tevens grond om met
toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit
van 21 maart 2000 te vernietigen.
Ten slotte is er aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep, in totaal begroot op €
1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juni 2000 gegrond en
vernietigt dat besluit;
Vernietigt het besluit van 21 maart 2000;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van in totaal € 1.288,--, te betalen door de gemeente Maasbree aan de
griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Maasbree aan appellante het betaalde
griffierecht van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. Ch. de Vrey en mr R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van
mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21
oktober 2003.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) P.C. de Wit.
|
|