|
Uitspraak
01/2989 NABW en 01/2990 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. R.G.M. Michels, advocaat te Deurne, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch
van 2 april 2001, reg.nr. 00/594 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij een aanvullend beroepschrift heeft mr. G.R.A.G. Goorts,
kantoorgenoot van mr. Michels, de gronden van het hoger beroep
aangevoerd. Voorts heeft mr. Goorts desgevraagd een nader stuk
ingezonden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd eveneens een
nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 oktober 2003. Appellant is
verschenen, bijgestaan door mr. Goorts, terwijl appellante zich door mr.
Goorts heeft laten vertegenwoordigen. Gedaagde is, met voorafgaand
bericht, niet verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellanten exploiteren een varkenshouderij. Op 20 oktober 1998 hebben
zij een aanvraag ingediend om bijstand ter voorziening in de behoefte
aan bedrijfskapitaal. Bij besluit van 22 maart 1999 heeft gedaagde
bijstand in de vorm van een lening ter hoogte van f 214.000,-- verleend.
Bij besluit van 23 juni 1999 heeft gedaagde appellanten medegedeeld dat
geen recht bestaat op omzetting van de lening in bijstand om niet, omdat
het eigen vermogen van appellanten de toepasselijke vermogensgrens van f
309.000,-- overschrijdt. Gedaagde heeft, met verwijzing naar het aan het
toekenningsbesluit van 22 maart 1999 ten grondslag gelegde advies van de
dienst LASER van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
(hierna: LASER) van 9 februari 1999, het eigen vermogen van appellanten
vastgesteld op f 435.000,--. Daarbij is uitgegaan van een waarde van de
bedrijfsgerelateerde onroerende zaken van f 1.158.000,-- en van een
bedrag van f 29.000,-- aan mestproductierechten.
Tegen dit besluit hebben appellanten bezwaar gemaakt. In het
bezwaarschrift is, met verwijzing naar een op verzoek van appellanten
door het makelaarskantoor Adriaan van den Heuvel te Helmond op 5 juli
1999 opgemaakt taxatierapport, aangevoerd dat de waarde van de
onroerende zaken moet worden bepaald op f 950.000,--. Als gevolg daarvan
zou het eigen vermogen dalen tot f 227.000,-- en daarmee uitkomen onder
de toepasselijke vermogensgrens.
In het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft gedaagde nader advies
ingewonnen bij LASER. In het door gedaagde op 6 augustus 1999 ontvangen
nadere advies geeft LASER aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden
met latente belastingverplichtingen tot een bedrag van f 59.000,-- en
dat voor het overige het advies van 9 februari 1999 wordt gehandhaafd.
Vervolgens heeft gedaagde de onroerende zaken door het makelaarskantoor Meeuwsen te Budel opnieuw laten taxeren. In het op 30 september 1999
uitgebrachte taxatierapport worden de onroerende zaken getaxeerd op f 1.140.000,--.
Bij besluit van 7 december 1999 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond
verklaard. Gedaagde heeft zich daarbij, mede gelet op het gegeven dat de
beoordelingen van LASER en Meeuwsen elkaar niet substantieel ontlopen,
opnieuw gebaseerd op het advies van LASER van 9 februari 1999, echter
met inachtneming van de in het nadere advies van 6 augustus 1999
aangebrachte correctie van f 59.000,--. Gedaagde heeft aldus het eigen
vermogen - nader - bepaald op f 376.000,--.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellanten
tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 22, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw)
is bepaald dat bijstand aan een zelfstandige ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal wordt verleend in de vorm van een
rentedragende lening of borgtocht. Ingevolge artikel 22, tweede lid,
aanhef en onder b, van de Abw wordt,
onder toepassing van bij algemene maatregel van bestuur te stellen
nadere voorwaarden, op grond van artikel 22, eerste lid, van de Abw
verleende bijstand ambtshalve geheel of gedeeltelijk omgezet in een
bedrag om niet indien het inkomen van de zelfstandige gedurende een
aaneengesloten periode van twaalf maanden lager is dan de som van de
bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling I, paragraaf 2 en 3,
van de Abw, en de verleende bijzondere
bijstand en diens vermogen een zekere grens niet te boven gaat.
Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen (Bbz),
zoals deze bepaling luidde in 1998, wordt bijstand in de vorm van een
bedrag om niet als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Abw
niet verleend indien het eigen vermogen meer bedraagt dan f 309.000,--.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Bbz
wordt de in de vorm van een lening verleende bijstand ter voorziening in
de behoefte aan bedrijfskapitaal geheel of gedeeltelijk omgezet in een
bedrag om niet, indien het netto inkomen in het boekjaar van de aanvraag
dan wel in het daaraan voorafgaande jaar lager is dan de jaarnorm. Het
bedrag om niet bedraagt het verschil tussen de jaarnorm en het netto
inkomen, doch ten hoogste het verschil tussen het eigen vermogen en de
toepasselijke vermogensgrens, bedoeld in artikel 3 van het Bbz.
De zelfstandige bepaalt het boekjaar waarover de bijstand wordt omgezet
in een bedrag om niet.
In artikel 24, eerste lid, van het Bbz
is bepaald dat de voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig
beroep noodzakelijke bezittingen en de aanwezige schulden van de
zelfstandige worden gewaardeerd op basis van de waarde in het economisch
verkeer. In afwijking daarvan worden, op grond van artikel 24, tweede
lid, aanhef en onder c, van het Bbz,
immateriële activa gewaardeerd op basis van de aankoopprijs, waarbij
rekening wordt gehouden met de afschrijving.
Ingevolge artikel 24, vijfde lid, van het Bbz
laten burgemeester en wethouders, indien daartoe aanleiding bestaat, de
onroerende zaken taxeren door een beëdigd makelaar of taxateur.
Appellanten hebben - bij de aanvraag van 20 oktober 1998 - bepaald dat
het in aanmerking te nemen boekjaar is het (kalender)jaar 1998.
Tot de gedingstukken behoort de op 29 april 1999 door appellanten
ondertekende balans van hun bedrijf per 31 december 1998. Daarin zijn de
onroerende zaken gewaardeerd op f 886.691,--. Op de balans komt voorts
onder meer een post van f 29.381,-- voor aan immateriële vaste activa (mestproductierechten).
De balans sluit op een eigen vermogen van f 86.895,--.
Appellanten stellen zich - kort weergegeven - op het standpunt dat bij
de waardering van de onroerende zaken de op grond van de Wet
herstructurering varkenshouderij (Whv) aan hun bedrijf toekomende
varkensrechten buiten beschouwing moeten blijven. Daartoe is primair
aangevoerd dat varkensrechten geen vermogensrechten zijn en derhalve
voor de vermogensvaststelling overeenkomstig artikel 24 van het Bbz
niet relevant zijn. Subsidiair is aangevoerd dat voor de varkensrechten
- die immers op grond van de Whv van rechtswege worden toegewezen - geen
aankoopprijs is betaald, zodat zij op grond van artikel 24, tweede lid,
aanhef en onder c, van het Bbz niet bij
de vermogensvaststelling mogen worden betrokken. Daarvan uitgaande
hebben appellanten, met verwijzing naar een brief van Meeuwsen aan
gedaagde van 5 november 1999, vervolgens betoogd dat de door Meeuwsen aangenomen
waarde van de onroerende zaken met een bedrag van f 490.000,-- moet
worden verminderd.
Daarnaast hebben appellanten aangevoerd dat het bedrag van f 29.000,--
aan mestproductierechten buiten beschouwing moet blijven, nu deze
mestproductierechten voor (het bedrijf van) appellanten geen actuele
waarde vertegenwoordigen.
De Raad stelt allereerst vast dat het besluit van 7 december 1999 is
gebaseerd op het advies van LASER van 9 februari 1999. Dat advies is
opgemaakt op basis van de tijdens een bezoek aan het bedrijf van
appellanten op 29 januari 1999 verkregen gegevens, dus op een tijdstip
waarop de jaarstukken over 1998 nog niet beschikbaar waren. Bij het
besluit omtrent omzetting diende evenwel, gelet op het door appellanten
gekozen boekjaar, het boekjaar 1998 (peildatum 31 december 1998) in aanmerking te worden genomen zodat gedaagde zijn
besluitvorming niet - althans niet zonder meer - op bedoeld advies van
LASER heeft kunnen baseren. Het besluit van 7 december 1999 berust
daarmee, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), niet op een deugdelijke motivering. Daaruit volgt
dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond
dient te worden verklaard en het besluit van 7 december 1999 dient te
worden vernietigd.
De vervolgens aan de orde zijnde vraag of er aanleiding is, met
toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen
van het te vernietigen besluit in stand te laten beantwoordt de Raad op
grond van de volgende overwegingen bevestigend.
De Raad neemt bij zijn beoordeling, overeenkomstig artikel 24, eerste
lid, van het Bbz, tot uitgangspunt dat
de onroerende zaken moeten worden gewaardeerd op basis van de waarde in
het economisch verkeer.
De - bedrijfsgerelateerde - onroerende zaken (met name: de stallen e.d.)
ontlenen hun waarde in het economisch verkeer in belangrijke mate aan
het gebruik dat daarvan in het kader van de bedrijfsvoering kan worden
gemaakt. Voor het exploiteren van een varkenshouderij zijn
varkensrechten van essentieel belang. Mede in aanmerking genomen dat in
het stelsel van de Whv varkensrechten onlosmakelijk zijn verbonden aan
de onroerende zaken van het betrokken bedrijf, zou dan ook in
ontoelaatbare mate afbreuk worden gedaan aan de in artikel 24 van het Bbz
voorgeschreven wijze van vermogensvaststelling, indien de aan deze
rechten verbonden gebruiksmogelijkheden niet bij de waardering van de
bedrijfs- gerelateerde onroerende zaken zouden worden betrokken.
Nu de gemachtigde van appellanten ter zitting van de Raad heeft
verklaard dat appellanten zich, behoudens op het punt van de
varkensrechten, kunnen vinden in het taxatierapport van Meeuwsen, volgt
uit het voorgaande dat de door Meeuwsen aan de onroerende zaken
toegekende waarde van f 1.140.000,-- kan worden aangehouden.
Anders dan appellanten ziet de Raad vervolgens, gelet op artikel 24,
tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz,
en de vermelding van deze post op de balans geen grond om de waarde van
de - door appellanten aangekochte - mestproductierechten buiten
beschouwing te laten.
Uit het voorgaande volgt dat het eigen vermogen per 31 december 1998
moet worden vastgesteld op f 340.204,--, zijnde het in de balans
opgevoerde eigen vermogen van f 86.895,--, vermeerderd met de hogere
waarde van de onroerende zaken ten bedrage van f 253.309,--. Daarmee is
gegeven dat de toepasselijke vermogensgrens van f 309.000,-- inderdaad
wordt overschreden.
Hetgeen namens appellanten overigens is aangevoerd heeft de Raad niet
tot een ander oordeel kunnen leiden.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellanten, begroot op € 644,-- wegens in hoger
beroep verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 december
1999;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag
van € 644,--, te betalen door de gemeente Cranendonck;
Bepaalt dat de gemeente Cranendonck aan appellanten het betaalde
griffierecht van in totaal € 104,37 ( f 230,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs.
Th.G.M. Simons en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4
november 2003.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|