|
Uitspraak
voorzieningenrechter 03/4603 NABW-VV
U I T S P R A A K
op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het
geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan
den Rijn, gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoeker heeft mr. M.R. Friedländer, advocaat te Amsterdam, bij
een beroepschrift van 14 mei 2003 hoger beroep ingesteld tegen de door
de rechtbank 's-Gravenhage op 17 april 2003 tussen partijen gewezen
uitspraak, nummer 02/1882 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 16 september 2003 heeft mr. J. du Bois, kantoorgenoot van
mr. Friedländer, namens verzoeker tevens verzocht om toepassing van het
bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ertoe
strekkend dat de terugvordering wordt opgeschort totdat op het hoger
beroep wordt beslist.
Het verzoek is behandeld ter zitting op 4 november 2003, waar verzoeker
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. D.P. van den Bergh, kantoorgenoot van mr. Du Bois, en gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door B. Schönfeld Wichers, werkzaam bij de
gemeente Alphen aan den Rijn.
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in artikel 17 van de Beroepswet in verbinding met
artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit beroep is
ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige
voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken
belangen, dat vereist.
Hierbij geldt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening als in
dit geval gevraagd, moet worden bezien of op grond van een afweging van
de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet
onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om
een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook
in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid
bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven.
Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure
wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een
voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die
procedure, waarin verzoeker onder meer getuigen wenst te laten horen.
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
P. (hierna: P.) ontving vanaf 1 oktober 1996 een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw), vanaf 1 januari 1997 naar de norm voor een
alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme melding omtrent door
haar genoten inkomsten uit arbeid en samenwoning met verzoeker is door
de Sociale recherche een onderzoek ingesteld, waarvan de bevindingen
zijn neergelegd in een op 28 juli 2000 gesloten proces-verbaal.
Vervolgens heeft gedaagde bij een tot P. gericht besluit van 26
september 2000 haar recht op uitkering met ingang van 1 mei 2000
ingetrokken op de grond dat is vastgesteld dat zij een gezamenlijke
huishouding voert met verzoeker. Bij een eveneens tot P. gericht besluit
van 18 december 2000 heeft gedaagde de over de periode van 1 januari
1996 tot en met 30 juni 1997 verleende bijstand van haar teruggevorderd,
het recht op uitkering van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2000
ingetrokken en de over dat tijdvak verleende bijstand tot een bedrag van
f 54.388,40 van haar teruggevorderd.
Bij besluit van eveneens 18 december 2000 heeft gedaagde de aan P.
verleende bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april
2000 tot een bedrag van f 54.388,40 mede van verzoeker teruggevorderd.
P. en verzoeker hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen de tot hen
gerichte besluiten en verzoeker heeft tevens bezwaar gemaakt tegen het
aan P. gerichte terugvorderingsbesluit. Bij besluiten van 12 april 2001
heeft gedaagde de bezwaren van P. en verzoeker in zoverre gegrond
verklaard, dat de van P. en verzoeker terug te vorderen bedragen op een
lager bedrag zijn gesteld. Ten aanzien van verzoeker is beslist dat de
aan P. verleende bijstand over de perioden van 1 januari 1997 tot en met
30 april 1997, 1 oktober 1997 tot en met 30 april 1998, 1 oktober 1998
tot en met 30 april 1999 en 1 oktober 1999 tot en met 30 april 2000,
mede van hem wordt teruggevorderd tot een bedrag van f 17.885,11.
Vervolgens hebben P. en verzoeker afzonderlijk beroep ingesteld tegen de
tot hen gerichte besluiten van 12 april 2001.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker
gegrond verklaard, voorzover het is gericht tegen het aan P. gerichte
besluit van 12 april 2001, dat besluit in zoverre vernietigd en het
bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 18 december 2000 in zoverre
niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van verzoeker is voor het
overige ongegrond verklaard. Het beroep van P. is bij uitspraak van 16
april 2003, reg.nr. AWB 02/1887 ABW, ongegrond verklaard. In de
bodemprocedure heeft verzoeker de juistheid van de uitspraak van 17
april 2003 op beide onderdelen gemotiveerd bestreden.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
Verzoeker stelt er belang bij te hebben dat van de invordering van het
van hem teruggevorderde bedrag wordt afgezien totdat in de
bodemprocedure uitspraak zal zijn gedaan over de rechtmatigheid van het
tot hem gerichte besluit van 12 april 2001 en van het tot P. gerichte
besluit van 12 april 2001, voorzover daarbij de terugvordering uit
hoofde van verzwegen gezamenlijke huishouding is gehandhaafd. Daartoe
voert verzoeker onder verwijzing naar zijn hoger beroepschrift aan dat
de kans aanwezig is dat de aangevallen uitspraak en de genoemde
besluiten zullen worden vernietigd. Ten slotte stelt verzoeker dat niet
valt in te zien waarom gedaagde, die tot de aangevallen uitspraak nimmer
is overgegaan tot invordering, thans wel enig belang heeft bij de
invordering.
Gedaagde heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld, en
verklaard tot uitvoering van het ten aanzien van verzoeker genomen en
door de rechtbank bevestigde terugvorderingsbesluit te willen overgaan,
zodra de financiële omstandigheden van verzoeker dit toelaten.
De voorzieningenrechter is tot het oordeel gekomen dat in dit geval het
belang van gedaagde bij onmiddellijke uitvoering van de uitspraak dient
te prevaleren boven het belang dat verzoeker heeft bij de door hem
gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overweegt in
dit verband het volgende.
De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat de rechtbank verzoeker
terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen het aan
P. gerichte terugvorderingsbesluit. Volgens inmiddels vaste rechtspraak
van de Raad kon verzoeker, die niet betrokken was bij de aan appellante
verleende bijstand en niet kon worden aangemerkt als subject van de hier
in geding zijnde bijstandsverlening, niet worden beschouwd als een
persoon met een bij het besluit tot terugvordering van de
bijstandsuitkering van P. rechtstreeks betrokken belang. De
omstandigheid dat verzoeker hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de
kosten van de aan P. verleende bijstand, brengt niet mee dat hij kan
worden beschouwd als een persoon met een bij dat terugvorderingsbesluit
rechtstreeks betrokken belang.
In de bodemprocedure dient voorts te worden beoordeeld of de rechtbank
terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van verzoeker is
voldaan aan de voorwaarden van artikel 84, tweede lid (tekst tot en
vanaf 31 december 1998), van de Abw. Daarin is bepaald, dat indien de
bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, van de Abw als
gezinsbijstand (vanaf 31 december 1998 : aan gehuwden) had moeten worden
verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de
verplichtingen, bedoeld in artikel 65 van de Abw niet of niet behoorlijk
is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden
teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van
bijstand rekening had moeten worden gehouden.
Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, verzoeker die
persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met P. een
gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Abw
(voor de periode tot 1 januari 1998) respectievelijk artikel 3, derde
lid, van de Abw (voor de periode vanaf 1 januari 1998) heeft gevoerd.
Ingevolge artikel 3, tweede lid (vanaf 1 januari 1998: derde lid) van de
Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins. Of van een gezamenlijke
huishouding sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle
zich ten aanzien van de betrokkenen voordoende feiten en omstandigheden,
welke niet van subjectieve aard zijn.
Gedaagde heeft na bezwaar het standpunt ingenomen dat verzoeker - met
uitzondering van de zomermaanden, waarin zulks niet met voldoende
zekerheid vast staat - vanaf oktober 1996 zijn hoofdverblijf heeft gehad
bij P. en met haar een gezamenlijke huishouding voerde.
De voorzieningenrechter stelt vast dat betrokkenen verschillende
woonadressen hebben. P. had een woning aan de [straatnaam1] en vanaf
januari 1999 aan de [straatnaam 2], en verzoeker stelt te wonen op een
zeilboot die ligt in een jachthaven in de Loosdrechtse plassen. Volgens
vaste rechtspraak van de Raad behoeft het hebben van verschillende
woonadressen op zichzelf niet aan het hebben van hoofdverblijf in
dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval dient echter
redelijkerwijs aannemelijk te zijn dat desondanks toch een feitelijke
situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide woningen
wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van
de woningen
wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.
Op grond van de thans beschikbare gegevens is de voorzieningenrechter
evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat deze situatie zich in
het geval van verzoeker voordoet. Gelet op de onderzoeksbevindingen en
in het bijzonder op de door verzoeker en P. afgelegde en door hen
ondertekende verklaringen alsmede de door diverse getuigen uit de
woonomgeving van P. afgelegde verklaringen, staat voor de
voorzieningenrechter genoegzaam vast dat verzoeker vanaf de in dit
geding relevante datum 1 januari 1997 in elk geval gedurende de door
gedaagde aangehouden wintermaanden feitelijk zijn hoofdverblijf had in
de woning van P. aan de [straatnaam] en vervolgens aan de [straatnaam
2].
De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanknopingspunten voor de door
verzoeker betrokken stelling dat bij het afnemen van de verklaringen van
hem en P., waarin zij gedetailleerde informatie hebben verschaft over
hun woon- en leefsituatie in de periode vanaf 1996, ongeoorloofde druk
op hen is uitgeoefend.
Dat geldt ook voor de stelling dat de weergave van de verklaringen van
verzoeker en P. in de daarvan opgemaakte processen-verbaal niet strookt
met wat zij hebben verklaard. Er bestaat dan ook geen aanleiding om hen
niet aan deze verklaringen te houden.
De voorzieningenrechter ziet voorts geen grond om aan de in bezwaar en
in beroep overgelegde (getuigen)verklaringen die betekenis toe te kennen
welke verzoeker daaraan toegekend wenst te zien. Voor de nadere
verklaringen welke door verzoeker, P. en een aantal van de door de
Sociale recherche gehoorde getuigen zijn afgelegd, geldt dat de
voorzieningenrechter daarin onvoldoende aanknopingspunten ziet om niet
uit te gaan van de juistheid van hetgeen zij eerder tegenover de Sociale
recherche hebben verklaard. De verklaringen van de overige getuigen,
onder meer die van gebruikers van de jachthaven waar de boot van
verzoeker ligt, bieden weliswaar aanvullende informatie over de woon- en
leefsituatie van verzoeker en P., maar doen naar het oordeel van de
voorzieningenrechter geen afbreuk aan de essentie van de op grond van de
onderzoeksbevindingen getrokken conclusie, te weten dat verzoeker zijn
hoofdverblijf bij P. had.
Op grond van dezelfde onderzoeksgegevens is voor de voorzieningenrechter
tevens voldoende komen vast te staan dat verzoeker en P. in de hiervoor
vermelde perioden ervan blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar,
zodat naar het (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter voldaan
is aan de criteria voor het voeren van een gezamenlijke huishouding.
Nu, gelet op de onherroepelijk geworden uitspraak van de rechtbank op
het beroep van P., vaststaat dat verlening van gezinsbijstand -
niettemin - achterwege is gebleven omdat P. de ingevolge artikel 65,
eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenplicht niet is
nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van verzoeker is voldaan aan de
voorwaarden van artikel 84, tweede lid (tekst tot en vanaf 31 december
1998), van de Abw.
Dit leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat gedaagde gehouden
was het bedrag van de wegens de verzwegen gezamenlijke huishouding ten
onrechte aan P. betaalde bijstand mede van verzoeker terug te vorderen,
voorzover die bijstand is verleend over de hiervoor vermelde tijdvakken
tussen 1 januari 1997 en 1 mei 2000. De hoogte van het terug te vorderen
bedrag is door verzoeker als zodanig niet bestreden, terwijl de door hem
aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen opleveren als bedoeld
in artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde de
bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering ten
aanzien van verzoeker af te zien.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aangevallen
uitspraak en het tot verzoeker gerichte besluit van 12 april 2001 naar
verwachting in de bodemprocedure in stand zullen blijven. In verband
hiermee komt de gevraagde voorziening niet voor toewijzing in
aanmerking.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de
voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in
tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in
het openbaar op 18 november 2003.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) P.E. Broekman.
|
|