|
Uitspraak
voorzieningenrechter 03/4967 NABW-VV, 03/4968 NABW-VV, 03/4969 NABW-VV,
03/4970 NABW-VV, 03/4971 NABW-VV en 03/4972 NABW-VV
U I T S P R A A K
inzake de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in de
gedingen tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk,
gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft op de in de beroepschriften vervatte gronden hoger
beroep ingesteld tegen de door de (voorzieningenrechter van de)
rechtbank Zutphen op 18 juli 2003, 31 juli 2003 en 28 augustus 2003 tussen partijen gewezen uitspraken,
reg. nrs. 03/806 en 03/606 NABW, 03/807 en 03/603 NABW, 03/343 en 03/344
NABW, 03/105 en 03/129 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 5 oktober 2003 heeft verzoeker tevens verzocht om
toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
Verzoeker heeft de gronden van het verzoek ingediend en nadere stukken
ingezonden.
II. MOTIVERING
Voor een uitvoerige weergave van de hier relevante feiten en
omstandigheden wordt verwezen naar de in rubriek I genoemde aangevallen
uitspraken. De in deze uitspraken behandelde hoofdzaken hebben
betrekking op door verzoeker ingestelde beroepen tegen door gedaagde
genomen besluiten op bezwaar inzake de volgende aanvragen om bijzondere
bijstand:
a) van 6 augustus 2002 betreffende gestelde reiskosten in verband met
bezoeken aan advocaten;
b) van 12 september 2002 betreffende verschuldigde reiskosten en toeslag
wegens het zonder geldig vervoersbewijs reizen per trein op 29 juli
2002;
c) van 26 september 2002 betreffende verschuldigde incassokosten van
inmiddels betaalde nota's van KPN MOBILE;
d) van 17 oktober 2002 betreffende een betaalde nota voor
reparatiekosten van het telefoon-faxapparaat van verzoeker;
e) van 3 december 2002 betreffende reis- en verblijfkosten in verband
met het bijwonen van zittingen bij de rechtbank Zutphen in de periode
van 1994 tot en met 2002;
f) van 6 januari 2003 betreffende in 2000 en 2002 betaalde
kopieerkosten, verzendkosten, kosten van inktcartridge, facturen van KPN
inzake abonnements- en gesprekskosten telefoon.
Naar aanleiding van de thans gedane verzoeken om voorlopige voorziening
overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in
verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak
van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als
omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
De mogelijkheid hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige
voorziening te doen is niet bedoeld om door middel van de zogenoemde
"kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.
Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening
voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin
een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86,
eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te
doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te
wijzen.
In de onderhavige zaken is naar het oordeel van de voorzieningenrechter
geen sprake van een spoedeisend belang bij het treffen van een
voorlopige voorziening.
Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker maandelijks
algemene bijstand van gedaagde ontvangt. Er is geen enkele reden om aan
te nemen dat verzoeker de beslissingen van de Raad in de bodemprocedures
niet zou kunnen afwachten voorzover de door gedaagde buiten behandeling
gelaten of afgewezen aanvragen om bijzondere bijstand betrekking hebben
op kosten die reeds door verzoeker zijn gemaakt en betaald.
Hetgeen in de gedingstukken is gesteld met betrekking tot de onder b) en
c) genoemde schulden leidt evenmin tot het oordeel dat er sprake is van
een spoedeisend belang, dit mede gelet op de in artikel 77 van de
Algemene bijstandswet opgenomen beperking omtrent beslag op bijstand
waardoor verzoeker in elk geval kan blijven beschikken over een inkomen
gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
De verzoeken om voorlopige voorziening zijn daarom kennelijk ongegrond,
zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de
Awb uitspraak kan doen zonder zitting.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de
voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18
november 2003.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|