|
Uitspraak
voorzieningenrechter 03/5466 NABW-VV en 03/5467 NABW-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het
geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,
verzoeker,
en
[gedaagde 1] en [gedaagde 2], beiden wonende te [woonplaats], gedaagden.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft op de in het beroepschrift vervatte gronden hoger beroep
ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 1 oktober 2003
tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 02/3726 NABW, waarnaar
hierbij wordt verwezen. In het dezelfde schrijven is verzocht om
toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 28 november 2003, waar
verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.T.M. Zuiderhoek,
werkzaam bij de gemeente Eindhoven, en gedaagde door mr. G.M. de
Winther-Meijers, advocaat te Eindhoven.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 19 juli 1996 heeft verzoeker gedaagden een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) toegekend naar de norm voor gehuwden.
Bij besluit van 26 juli 2002 heeft verzoeker genoemd toekenningsbesluit
herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 31 augustus 2001 tot en met 4 oktober 2001 op de grond dat zij onjuiste
of niet volledige informatie hebben verstrekt die van invloed is op hun
uitkering. Het betreft informatie over het telen van hennep in een
schuur/berging bij de woning van gedaagden. Voorts heeft verzoeker de
kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 1.434,15 van
gedaagden teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij
besluit van 12 november 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 12 november
2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar
uitspraak.
Naar aanleiding van het thans gedane verzoek om een voorlopige
voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in
verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak
van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als
omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Hetgeen in het beroepschrift is gesteld levert geen grond om te oordelen
dat er sprake is van een spoedeisend belang, dit mede gelet op het feit
dat het besluit van 12 november 2002 intrekking en terugvordering van
bijstand over een korte periode in het verleden betreft.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker desgevraagd meegedeeld
dat het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan om op korte
termijn een beslissing in de hoofdzaak te verkrijgen, mede gezien het
grote aantal zaken van bijstandontvangende hennepkwekers in de gemeente
Eindhoven.
De mogelijkheid hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige
voorziening te doen is evenwel niet bedoeld door middel van de
zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te
bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige
voorziening voorafgaand aan de uitspraak geen sprake is, is daarin een
grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste
lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen
in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
In de onderhavige zaak is naar het oordeel van de voorzieningenrechter
geen sprake van een spoedeisend belang bij het treffen van een
voorlopige voorziening.
Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden
afgewezen.
De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig om verzoeker te
veroordelen in de proceskosten van gedaagden. Deze kosten worden begroot
op € 322,--, voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af;
Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van gedaagden tot een bedrag
groot € 322,--, te betalen door de gemeente Eindhoven.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2
december 2003.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.
|
|