|
Uitspraak
00/4343 NABW en 00/6099 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [appellant], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. H.A. van der Kleij, thans advocaat te Ede, op
bij het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de president van de rechtbank Zutphen op 7 juli
2000 tussen partijen gegeven uitspraak, reg.nrs. 00/511, 00/590 en
00/591 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Tevens heeft gedaagde aan de Raad toegezonden een besluit van 27 juli
2000, mede genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Tegen
dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Zutphen.
Desgevraagd heeft die rechtbank de op dit beroep betrekking hebbende
gedingstukken aan de Raad toegezonden.Op 16 maart 2001 heeft mr. Van der
Kleij namens appellant een brief aan de Raad toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 4 november 2003, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij, en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L.G. Röst, werkzaam
bij de gemeente Harderwijk.
II. MOTIVERING
Appellant is op 26 oktober 1997 bij het voetballen een ongeval overkomen
als gevolg waarvan hij lijdt aan een dwarslaesie. Ingaande 27 oktober
1997 is aan appellant een uitkering ingevolgde de Algemene bijstandswet
(Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ter aanvulling op
een door hem reeds ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Met ingang van 1 november 1999 is de uitbetaling van de
bijstandsuitkering geblokkeerd omdat bij gedaagde het vermoeden was
gerezen dat appellant over een vermogen zou beschikken dat het vrij te
laten vermogen overschrijdt. Uit een door de sociale recherche ingesteld
onderzoek was gebleken dat appellant in februari 1998 een auto had
aangeschaft ter waarde van ongeveer f 41.000,-- waarvan hij aan gedaagde
geen mededeling had gedaan. Voorts is door onderzoek van de sociale
recherche aan het licht gekomen dat appellant op 20 april 1998 een
bedrag van f 112.500,-- had ontvangen op grond van een door de KNVB
afgesloten ongevallenverzekering.
Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 21 januari 2000 de
bijstandsuitkering met ingang van 20 april 1998 met toepassing van
artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw ingetrokken en de
kosten van bijstand over de periode van 20 april 1998 tot 1 november
1999, een bedrag van f 13.519,94, van appellant teruggevorderd. Voorts
heeft gedaagde besloten de kosten van bijstand over de periode van 27
oktober 1997 tot 20 april 1998 tot een bedrag van f 1.718,75 met
toepassing van artikel 82, onder a, van de Abw van appellant terug te
vorderen. Ten slotte heeft gedaagde een boete opgelegd van f 2.300,--,
zijnde 15 % van het fraudebedrag en naar boven afgerond op een veelvoud
van f 25,--.
Gedaagde heeft hierbij overwogen dat appellant geen melding heeft
gemaakt van de aanschaf van een auto in februari 1999 en dat appellant
gedaagde voorts onkundig heeft gelaten van de uitbetaling van de
verzekeringsuitkering op 20 april 1998, welke toekenning samenhangt met
het ongeval op 26 oktober 1997. Gedaagde heeft onder verwijzing naar
artikel 52, eerste lid, aanhef en onder e, van de Abw 2/3 gedeelte van
het bedrag van f 112.500,-- in aanmerking genomen als vermogen in het
kader van de Abw.
Bij besluit op bezwaar van 26 april 2000 heeft gedaagde dit standpunt
gehandhaafd.
De president van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak,
voorzover hier van belang, het tegen evengenoemd besluit ingestelde
beroep gegrond verklaard voorzover hierbij de terugvordering over de
periode van 27 oktober 1997 tot 20 april 1998 en de opgelegde boete van
f 2.300,-- zijn gehandhaafd, dit besluit in zoverre vernietigd en
bepaald dat gedaagde op dit punt een nieuw besluit op bezwaar neemt. Het
beroep is voor het overige ongegrond verklaard. Voorts zijn beslissingen
genomen ter zake van griffierecht en proceskosten.
Hierbij is - samengevat - overwogen dat appellant geen melding heeft
gemaakt van de ontvangst van het bedrag van f 112.500,-- op 20 april
1998. Dit bedrag kan volgens de president van de rechtbank in zijn
geheel worden aangemerkt als een immateriële schadevergoeding en
gedaagdes standpunt om 1/3 deel van deze vergoeding buiten aanmerking te
laten is, gelet op het bepaalde in artikel 43, tweede lid, aanhef en
onder j (oud) en artikel 52, eerste lid, aanhef en onder e (oud), van de
Abw naar het oordeel van de president niet onredelijk. Het enkele feit
dat gedaagde voor gevallen als de onderhavige nog geen beleid heeft
geformuleerd maakt niet dat gedaagdes besluitvorming op willekeur
berust. Omdat appellant eerst op 20 april 1998 de beschikking kreeg over
het bedrag en voor die datum slechts sprake was van een schadeclaim
waarop door de assuradeur nog niet definitief was beslist, kan naar het
oordeel van de president van de rechtbank niet worden gesteld dat de
schadevergoeding mede betrekking heeft op de periode van 27 oktober 1997
tot 20 april 1998. Een en ander heeft de president van de rechtbank tot
de conclusie gebracht dat gedaagde de over deze periode verstrekte
bijstand ten onrechte op grond van artikel 82 van de Abw heeft
teruggevorderd. Omdat de hoogte van de boete is gebaseerd op het totale
fraudebedrag van f 15.236,69, derhalve ook op het teruggevorderde bedrag
over de periode van 27 oktober 1997 tot 20 april 1998, komt het besluit
van 26 april 2000 op deze grond eveneens voor vernietiging in aanmerking
en zal gedaagde in zoverre nader op het bezwaar dienen te beslissen. Ten
slotte is de president van de rechtbank van oordeel dat appellant tijdig
en op correcte wijze is gewezen op zijn zwijgrecht zoals bedoeld in
artikel 14b, eerste lid, van de Abw.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft gedaagde bij besluit van 27 juli
2000, voorzover hier van belang, de terugvordering over de periode van
27 oktober 1997 tot 20 april 1998 ingetrokken, de boete nader
vastgesteld op f 2.050,--, zijnde 15% van f 13.519,94, en tenslotte
bepaald dat met ingang van 22 maart 2000 10% van de geldende norm zal
worden ingehouden ter voldoening van de diverse vorderingen.
Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant
kan zich niet verenigen met het gedeeltelijk in aanmerking nemen van
smartengeld bij de vermogensvaststelling, met de intrekking van de
uitkering vanaf 20 april 1998, de terugvordering van bijstand over de
periode van 20 april 1998 tot 1 november 1999 alsmede met het feit dat
de boete slechts werd vernietigd in verband met de hoogte van de boete.
In dit ver-band stelt appellant dat gedaagde niet heeft voldaan aan de
voorschriften zoals die zijn opgenomen in artikel 14b, tweede en vierde
lid, van de Abw. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat in het
besluit van 21 januari 2000, waarbij de boete werd opgelegd, in strijd
met artikel 14c van de Abw niet is vermeld op welke wijze dit besluit
overeenkomstig artikel 14f van de Abw ten uitvoer zal worden gelegd.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt allereerst vast dat het besluit van 27 juli 2000,
voorzover hierbij de boete nader is vastgesteld op f 2.050,-- en ter
zake van de invordering is besloten dat vanaf 22 maart 2000 10% van de
geldende norm zal worden ingehouden, dient te worden aangemerkt als een
besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). De Raad zal op grond van het bepaalde in artikel
6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb het besluit
van 27 juli 2000 in dit geding betrekken.
Vast staat dat appellant aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan van
het feit dat hij op 20 april 1998 een bedrag van f 112.500,-- heeft
ontvangen en evenmin van het feit dat hij in februari 1999 een auto van
ongeveer f 41.000,-- heeft aangeschaft. Aldus is sprake van schending
van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw opgenomen
inlichtingenverplichting.
Artikel 7 van de Abw bepaalt dat recht op bijstand bestaat indien de
betrokkene in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat
hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien.
Ingevolge artikel 42 van de Abw worden tot de middelen gerekend alle
vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de betrokkene beschikt of
redelijkerwijs kan beschikken. Artikel 43, tweede lid, aanhef en onder
j (oud), alsmede artikel 52, eerste lid, aanhef en onder e, van de Abw
schrijven voor dat niet tot de middelen en niet tot het vermogen wordt
gerekend een uitkering in verband met geleden immateriële schade voor
zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, uit een
oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.
Op 20 april 1998 heeft appellant de beschikking gekregen over een bedrag
van f 112.500,--. Dit bedrag ontving appellant uit hoofde van een
zogeheten sommenverzekering waarbij geen onderscheid is gemaakt naar de
soort van schade. Er wordt een bepaalde som geld uitgekeerd indien zich
een zekere gebeurtenis heeft voorgedaan. In het geval van appellant is
het bij het betreffende ongeval passende maximale bedrag van f
112.500,-- uitgekeerd. Blijkens de gedingstukken merkt appellant dit
gehele bedrag aan als smartengeld. Met gedaagde ziet de Raad geen
aanleiding ter zake een ander standpunt in te nemen nu aanknopingspunten
dat het uitgekeerde bedrag in verifieerbare mate bestemd is voor geleden
materiële schade ontbreken.
Zoals uit de hierboven weergegeven bepalingen van de Abw blijkt, worden
alle vermogens- en inkomensbestanddelen tot de middelen gerekend. Een
uitzondering wordt gemaakt voor smartengeld voorzover dit uit een
oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Naast het vrij te laten
vermogen van, in het geval van appellant, een bedrag van f 9.500,--
heeft gedaagde van de uitgekeerde schadevergoeding een bedrag van f
37.500,-- buiten aanmerking gelaten. De Raad heeft geen gronden gevonden
dit bedrag onjuist te achten. Het ongeval op 26 oktober 1997 heeft voor
appellant zowel in lichamelijk als in geestelijk opzicht tot ernstige
gevolgen geleid, zoals ter zitting van de Raad nader is toegelicht. Doch
de ernst van die gevolgen kan gelet op het karakter van de Abw, als
laatste bestaansvoorziening, er niet tot leiden dat, zoals appellant
heeft doen aanvoeren, het gehele bedrag aan ontvangen schadevergoeding
bij de vaststelling van diens vermogenspositie buiten aanmerking dient
te blijven.
Appellant heeft (ook) hoger beroep gewezen op een aantal met name
genoemde, in civiele zaken gedane uitspraken van verschillende
rechtbanken waaraan hij de opvatting ontleent dat het aan hem toegekende
bedrag aan smartengeld aan de lage kant was hetgeen naar zijn mening
ertoe had moeten leiden dat gedaagde een hoger bedrag buiten aanmerking
had dienen te laten. Deze uitspraken brengen de Raad echter niet tot een
andere slotsom.
Een en ander leidt tot de constatering dat appellant op 20 april 1998 de
beschikking had over een positief vermogensbestanddeel van ten minste f
75.000,--.
Gedaagde heeft bij besluit van 21 januari 2000 met toepassing van
artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw met ingang van 20
april 1998 de uitkering van appellant ingetrokken. In dit besluit wordt
niet met zoveel woorden aangeduid over welke periode deze intrekking
zich uitstrekt. Weliswaar is met ingang van 1 november 1999 de
uitbetaling van de uitkering geblokkeerd, doch dit betreft slechts de
feitelijke uitbetaling van de uitkering en heeft in die zin slechts
betekenis voor de periode waarop de eventuele terugvordering betrekking
heeft. Het recht op bijstand is per die datum evenwel niet beëindigd.
De Raad gaat er dan ook vanuit dat de intrekking de periode van 20 april
1998 tot en met de datum van het primair besluit, 21 januari 2000,
bestrijkt.
Gedaagde heeft die intrekking gebaseerd op de grond dat appellant
gedurende dit tijdvak over meer vermogen beschikte dan het in zijn geval
vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 54 van de Abw, vermeerderd
met het niet in aanmerking genomen deel van het smartengeld.
Naar het oordeel van de Raad bieden de voorhanden zijnde gedingstukken
voor deze intrekkingsgrond onvoldoende grondslag. Weliswaar kan worden
gesteld dat appellant op 20 april 1998 beschikte over in het kader van
de toepassing van de Abw relevant vermogen, doch niet blijkt dat dit
het geval was gedurende het gehele hier in geding zijnde tijdvak. Het
besluit van 26 april 2000, voorzover betrekking hebbende op de
intrekking over de periode van 20 april 1998 tot en met 21 januari 2000,
dient dan ook wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te
worden vernietigd.
De Raad stelt vervolgens vast dat tengevolge van de schending van de uit
artikel 65, eerste lid, van de Abw voortvloeiende
inlichtingenverplichting onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te
kunnen bepalen of appellant gedurende de gehele periode hier in geding
beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan
te voorzien. De Raad verwijst in dit verband onder meer naar het rapport
van de sociale recherche van 25 november 1999 waaruit kan worden
afgeleid dat appellant beschikte over een tweede girorekening die niet
bij gedaagde bekend was, dat hij op zijn girorekeningen in de periode
hier in geding betrekkelijk grote bedragen heeft gestort, dat tevens
sprake is geweest van enkele overboekingen waarvoor hij geen
aannemelijke verklaring heeft gegeven en dat evenmin een aannemelijke
verklaring is gegeven inzake de financiering van de in februari 1999
aangeschafte auto.
Gelet hierop is de Raad van oordeel dat als gevolg van de schending van
de inlichtingenverplichting door appellant het recht op bijstand over
de genoemde periode niet meer kan worden vastgesteld en dat het recht op
uitkering met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a,
van de Abw terecht is ingetrokken.
Van dringende redenen op grond waarvan ingevolge artikel 69, vijfde lid,
van de Abw de bevoegdheid bestaat geheel of gedeeltelijk van intrekking
af te zien is de Raad niet gebleken.
De rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 26
april 2000 kunnen dan ook in stand worden gelaten.
De Raad stelt vervolgens vast dat met betrekking tot de periode van 20
april 1998 tot 1 november 1999 is voldaan aan de voorwaarden voor
terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Niet
gebleken is van dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd was
geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Met betrekking tot de opgelegde boete overweegt de Raad als volgt.
Met het voorgaande is gegeven dat appellant zijn informatieverplichting
niet of niet behoorlijk is nagekomen. De Raad ziet geen grond voor het
oordeel dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging van
appellant ontbreekt en dat gedaagde daarom toepassing had moeten geven
aan artikel 14a, tweede lid, tweede volzin van de Abw. Op grond van
artikel 14a, eerste lid, van de Abw is gedaagde dan ook in beginsel
gehouden appellant een boete op te leggen.
Appellant heeft aangevoerd dat gedaagde geen uitvoering heeft gegeven
aan het in artikel 14b, tweede lid, van de Abw opgenomen voorschrift dat
de belanghebbende in kennis wordt gesteld van het voornemen van
burgemeester en wethouders tot boeteoplegging onder vermelding van de
gronden waarop dat voornemen berust en dat evenmin is voldaan aan het
vierde lid van artikel 14b van de Abw waar is voorgeschreven dat de
belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld om naar keuze
schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat
de boete wordt opgelegd.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellant twee keer door de sociale
recherche is verhoord, te weten op 21 juni 1999 alsmede op 3 november
1999. Uit het proces-verbaal van deze verhoren kan worden afgeleid dat
appellant bij beide gelegenheden aan het begin van het verhoor is
voorgehouden dat hij niet tot antwoorden was verplicht. Aldus is voldaan
aan het voorschrift van artikel 14b, eerste lid, van de Abw. Appellant
is derhalve op correcte wijze gewezen op zijn zwijgrecht, de zogeheten
cautie. Daarnaast is in het proces-verbaal van het verhoor van 3
november 1999 het volgende vermeld: "U deelt mij mee dat er
mogelijk een proces-verbaal wordt opgemaakt of dat de gemeente een boete
oplegt omdat ik onjuiste gegevens heb verstrekt."
De Raad kan deze mededeling in combinatie met de gegeven cautie niet
anders opvatten dan dat hiermee tevens is voldaan aan het bepaalde in
artikel 14b, tweede lid, van de Abw, mede in acht genomen dat geen
formele eisen worden gesteld aan de wijze waarop de belanghebbende in
kennis wordt gesteld van het voornemen hem een boete op te leggen.
Uit de stukken blijkt evenwel niet dat appellant door of namens gedaagde
in de gelegenheid is gesteld om voordat de boete werd opgelegd naar
keuze zijn zienswijze schriftelijke of mondeling naar voren te brengen.
Appellant heeft verder mondeling een verklaring afgelegd. Niet gesteld
is evenwel, en de Raad is ook overigens niet gebleken, dat appellant
hierdoor op onaanvaardbare wijze in zijn processuele belangen is
geschaad. De enkele constatering dat niet is gebleken dat gedaagde heeft
voldaan aan het voorschrift van artikel 14b, vierde lid, van de Abw kan
er naar het oordeel van de Raad in dit geval niet toe leiden dat op die
grond geen boete kan worden opgelegd.
Niettemin is de Raad van oordeel dat het ten aanzien van appellant
genomen besluit van 27 juli 2000, wat de hoogte van de boete betreft,
niet in stand kan blijven.
De Raad dient ter beantwoording van de vraag welke consequenties in
rechte moeten worden verbonden aan de aan appellant toe te rekenen
gedraging, te weten het niet of niet behoorlijk nakomen van de
informatieplicht, op grond van artikel 15, eerste lid, laatste volzin,
van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
ambtshalve na te gaan of het op 1 februari 2001 - en daarmee na het
begaan van de gedraging door appellante - in werking getreden
Boetebesluit sociale zekerheidswetten (hierna: Boetebesluit) voorziet in
een lagere boete dan het krachtens artikel 14a, zesde lid (tekst tot en
met 31 december 1998), van de Abw tot stand gekomen en nadien op artikel
14a, zevende lid, van de Abw berustende Besluit tarieven administratieve
boeten Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Besluit tarieven). Ter zake blijkt dat
ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit tarieven de boete wordt
vastgesteld op 15% van het fraudebedrag, terwijl ingevolge artikel 2,
eerste lid, van het Boetebesluit de boete wordt vastgesteld op 10% van
het (bruto)benadelingsbedrag. Toepassing van artikel 2, eerste lid, van
het Boetebesluit, zoals dat met ingang van 1 januari 2002 geldt, brengt
mee dat in het onderhavige geval de boete wordt vastgesteld op €
616,--, zijnde 10% van f 13.519,94, naar boven afgerond op een veelvoud
van € 11,--.
De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op grond van de
ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging appellant kan worden
verweten en/of de omstandigheden waarin hij verkeert, de boete op een
ander bedrag dan € 616,-- zou moeten worden vastgesteld.
Ten slotte is de Raad niet gebleken van dringende redenen op grond
waarvan aan gedaagde de bevoegdheid toekomt om van het opleggen van een
boete af te zien.
De Raad zal, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb
zelf voorziend in de zaak, bepalen dat aan appellant een boete wordt
opgelegd van € 616,--.
De grief van appellant dat gedaagde ter zake van de opgelegde boete geen
toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 14c, eerste lid,
van de Abw treft geen doel. Allereerst ziet die grief zoals deze is
geformuleerd op het primaire besluit van 21 januari 2000, welk besluit
niet ter toetsing voorligt. Voorts stelt de Raad vast dat in het nadere
wel ter toetsing voorliggende besluit van 27 juli 2000 is aangegeven op
welke wijze het terug te vorderen bedrag wordt ingevorderd, zodat dit
besluit in die zin voldoet aan artikel 14c, eerste lid, van de Abw.
Appellant heeft verzocht gedaagde met toepassing van artikel 8:73 van de
Awb te veroordelen in de schade in de vorm van wettelijke rente.
Weliswaar dient het besluit van 27 juli 2000, voorzover hierbij de
hoogte van de opgelegde boete nader is vastgesteld, te worden vernietigd
en moet een lagere boete worden opgelegd, doch op basis van de thans
beschikbare gegevens is de Raad niet in staat te bepalen of, en zo ja,
in welke omvang en sedert wanneer appellant renteschade heeft geleden in
verband met het boetebesluit van 27 juli 2000 en de daaraan voorafgaande boetebesluiten van 26 april 2000 en 21 januari 2000. In
verband hiermee zal de Raad met toepassing van artikel 8:73, tweede lid,
van de Awb bepalen dat het onderzoek ter voorbereiding van een nadere
uitspraak hierover wordt heropend, en appellant in de gelegenheid te
stellen zich met een gespecificeerde opgave van de door hem gestelde
renteschade te wenden tot de Raad. Uit die specificatie dient in ieder
geval te blijken of en zo ja, op welke data en tot welk(e) bedrag(en)
meer boete is ingehouden of betaald dan het aan de gemeente Harderwijk
verschuldigde bedrag van € 616,--. De Raad gaat er voorts van uit dat
de gemachtigde van appellant zich dienaangaande eerst met gedaagde
verstaat.
De Raad ziet tenslotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand alsmede op € 15,06 aan
reiskosten in hoger beroep, derhalve in totaal op € 659,06.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover hierbij het beroep tegen
de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 20 april
1998 tot en met 21 januari 2000 onge-grond is verklaard;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 april 2000
voorzover betrekking hebbend op deze intrekking;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit
in stand blijven;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover hierbij het beroep tegen de
terugvordering over de periode van 20 april 1998 tot 1 november 1999
ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep voorzover dit geacht wordt te zijn gericht tegen
het besluit van 27 juli 2000 ter vaststelling van de boete op een bedrag van f 2050,--
gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;
Bepaalt dat aan appellant een boete wordt opgelegd van € 616,--, te
betalen aan de gemeente Harderwijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 659,06,
te betalen door de gemeente Harderwijk;
Bepaalt dat de gemeente Harderwijk aan appellant het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 77,14 (f 170,--) vergoedt;
Bepaalt dat ter voorbereiding van een uitspraak ter zake van de
gevorderde renteschade het onderzoek wordt heropend.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Th.C.
van Sloten en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2003.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) L. Jörg.
|
|