|
Uitspraak
01/3393 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, op de bij
het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 mei
2001, reg.nr. AWB 00-8809, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 20 januari 2004, waar voor
appellant is verschenen mr. Fischer en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door C. Kreukniet, werkzaam bij de gemeente Haarlem.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 26 november 1998 heeft gedaagde met inachtneming van het
advies van de arts B. Dekkers, werkzaam bij de GGD Zuid-Kennemerland
(hierna: de GGD), appellant met ingang van 1 november 1998 de
arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid (oud), van
de Algemene bijstandswet (Abw) opgelegd.
Het tegen het besluit van 26 november 1998 gemaakte bezwaar heeft
gedaagde bij besluit van 7 november 2000 ongegrond verklaard. Gedaagde
heeft zich daarbij mede gebaseerd op een nader advies van 8 september
1999 van de eveneens bij de GGD werkzame arts R. Keuken. Deze achtte
appellant arbeidsgeschikt voor voornamelijk zittende werkzaamheden
zonder zware psychische belasting.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat appellant
terecht de arbeidsverplichtingen zijn opgelegd, maar heeft daarbij
tevens overwogen dat zulks ten onrechte met terugwerkende kracht reeds
per 1 november 1998 is geschied.
In hoger beroep is namens appellant, evenals in eerste aanleg, betoogd
dat hij ten tijde in geding zozeer arbeidsongeschikt was dat hij niet in
staat was tot het verrichten van welke loonvormende arbeid dan ook. Ter
onderbouwing van zijn standpunt heeft hij nog een aantal medische
stukken van de CNNS te Marokko in het geding gebracht.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 107, eerste lid, van de Abw zijn burgemeester en
wethouders bevoegd de verplichtingen in hoofdstuk VIII van de Abw, en in
het bijzonder de arbeidsverplichtingen neergelegd in artikel 113 van de
Abw, niet op te leggen dan wel daarvan tijdelijk ontheffing te verlenen
in de gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat om
redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de
aard en het doel van de bijstand.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde op goede gronden
heeft besloten appellant niet (langer) te ontheffen van de
arbeidsverplichtingen bedoeld in artikel 113 van de Abw. Evenals de
rechtbank oordeelt de Raad dat gedaagde zich voor het medische aspect
kon en mocht baseren op de bij de GGD ingewonnen adviezen, aangezien
deze zowel wat de wijze van totstandkoming betreft als naar hun inhoud
deugdelijk zijn te achten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de
GGD-artsen aandacht hebben geschonken aan de door appellant gestelde
medische klachten, dat inlichtingen zijn ingewonnen bij de behandelende
sector en dat van de zijde van appellant terzake geen andersluidende
objectieve medische gegevens zijn overgelegd.
Aan hetgeen in hoger beroep is gesteld omtrent de eigen beleving van
appellant kan de Raad niet de door appellant gewenste betekenis hechten.
Hetzelfde geldt met betrekking tot de in het geding gebrachte
CNSS-gegevens, reeds omdat de daarin neergelegde medische beoordeling
ziet op een periode die (ruim) gelegen is na de thans in geding zijnde
datum.
Nu ook overigens niet is gebleken dat gedaagde, bij zijn weigering
appellant nog langer ontheffing te verlenen van de in artikel 113 van de
Abw neergelegde verplichtingen, heeft gehandeld in strijd met een
geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel,
kan het hoger beroep van appellant niet slagen.
Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak, voorzover
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M.
Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|