|
Uitspraak
01/3306 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Als gevolg van een gemeentelijke herindeling treedt in dit geding
gedaagde in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van
de voormalige gemeente Avereest. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de
gemeente Avereerst.
Namens appellant heeft mr. J.P. van Dijk, advocaat te Dedemsvaart, op
bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen de door de rechtbank Zwolle op 21 mei 2001 tussen partijen gewezen
uitspraak, reg.nr. 00/8671 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde nog nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 maart 2004, waar appellant -
met bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door H.J.Meijer, werkzaam bij de gemeente Hardenberg.
II. MOTIVERING
Appellant en zijn echtgenote, [naam echtgenote], ontvingen een
bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, welke uitkering met
ingang van 1 maart 1996 is omgezet in een uitkering op grond van de
Algemene bijstandswet (Abw). Appellant was vanaf 28 december 1996
werkzaam in een zogeheten Melkertbaan voor 30 uur per week. De hiermee
verworven inkomsten werden op de bijstandsuitkering in mindering
gebracht.
Naar aanleiding van een tip dat de echtgenote van appellant
werkzaamheden als oppas zou verrichten, heeft de sociale recherche een
onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de verstrekte
bijstandsuitkering.
De bevindingen van dit onderzoek leidden tot de conclusie dat [naam
echtgenote] vanaf 1 oktober 1996 gedurende 9 uur per week werkzaamheden
heeft verricht die zij niet aan gedaagde heeft gemeld. Deze
werkzaamheden bestonden uit de zorg voor twee kinderen van de familie
[naam familie]. Zij bracht en haalde de kinderen naar en van school,
zorgde voor het eten tussen de middag, verrichtte daarnaast
huishoudelijke werkzaamheden en had ook de zorg voor de honden van de
familie. [naam echtgenote] ontving naar haar zeggen voor deze
activiteiten geen vergoeding. Op basis van informatie van het Nibud is
gedaagde er vanuit gegaan dat zij een vergoeding van f 7,-- à f 8,--
per uur had kunnen ontvangen.Voorts is uit het onderzoek naar voren
gekomen dat de moeder van appellant in februari 1998 is overleden en dat
hij in verband hiermee een bedrag van f 70.000,-- als aandeel in de
erfenis heeft ontvangen op 27 januari 2000. Van deze feiten is evenmin
melding gemaakt.
Gedaagde heeft bij besluit van 28 april 2000 met toepassing van artikel
69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op uitkering over
de periode van 1 oktober 1996 tot 1 februari 2000 herzien (lees:
ingetrokken) op de grond dat vanaf 1 oktober 1996 geen recht op bijstand
bestaat in verband met inkomsten uit arbeid en in verband met vermogen
waarover vanaf 1 maart 1998 kon worden beschikt.
Bij besluit van 4 mei 2000 heeft gedaagde met toepassing van artikel 81,
eerste lid, van de Abw de over het tijdvak van 1 oktober 1996 tot 1
februari 2000 gemaakte kosten van bijstand, een bedrag van f 25.982,42,
teruggevorderd.
De tegen beide besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 18
augustus 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 18 augustus 2000 ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
Allereerst stelt de Raad vast dat namens gedaagde ter zitting is
verklaard dat, voorzover het besluit van 18 augustus 2000 is gebaseerd
op de grond dat appellant vanaf 1 maart 1998 beschikte dan wel
redelijkerwijs kon beschikken over vermogen dat uitgaat boven het vrij
te laten vermogen, dit besluit op dit onderdeel niet langer wordt
gehandhaafd aangezien de moeder van appellant weliswaar in februari 1998
is overleden maar appellant eerst eind januari 2000 daadwerkelijk de
beschikking kreeg over zijn aandeel in de erfenis.
Het besluit tot intrekking van de verleende bijstand is gebaseerd op
artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, zoals deze
bepaling luidt vanaf 1 juli 1997. Dit is niet juist voorzover de
intrekking ziet op de periode vóór 1 juli 1997. De Raad verwijst in
dit verband naar zijn uitspraak van 31 augustus 1999, gepubliceerd in
onder meer RSV 1999/256.
Aan dat besluit is het standpunt ten grondslag gelegd dat de inkomsten
uit de Melkertbaan van appellant vermeerderd met de inkomsten die
appellants echtgenote vanaf 1 oktober 1996 tot 1 februari 2000 had
kunnen ontvangen gedurende de gehele genoemde periode tezamen genomen
hoger zijn dan de in dat tijdvak geldende bijstandsnorm voor gehuwden.
Gedaagde heeft de (fictieve) inkomsten van [naam echtgenote] over 1996
vastgesteld op f 273,-- per maand, over 1997 en 1998 op f 292,50 per maand en over 1999 en 2000 op f 321,--per maand.
Bij de vaststelling van de hoogte van de inkomsten uit arbeid dient in
het kader van de Abw in beginsel te worden uitgegaan van de inkomsten
die uit de verrichte werkzaamheden daadwerkelijk zijn verworven dan wel
hadden kunnen worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van
fictieve inkomsten is onder meer ruimte indien tegenover het verrichten
van productieve arbeid geen beloning staat. De Raad is van oordeel dat
gelet op de aard en omvang van de door [naam echtgenote] verrichte
werkzaamheden gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat
zij voor die werkzaamheden een beloning had kunnen bedingen. Voorts zijn
deze fictieve inkomsten niet te laag vastgesteld.
De Raad kan evenwel op basis van de thans voorhanden zijnde
gedingstukken niet concluderen dat de inkomsten van appellant en [naam
echtgenote] tezamen genomen gedurende het gehele hier in geding zijnde
tijdvak zodanig waren dat over deze periode geen recht meer op bijstand
bestaat. De Raad verwijst in dit verband naar het door K.J. Hengelveld
op 5 april 2000 opgemaakt stuk met de aanduiding 'Fraudeberekening',
waarin voor de onderscheiden jaren het bedrag van de terugvordering is
berekend. Voor het jaar 1997 wordt in dit stuk uitgegaan van een (netto)
terugvordering van f 7.952,50. De fictieve inkomsten van [naam
echtgenote] bedroegen over dat jaar evenwel (netto) f 3.510,--, terwijl
bij de toekenning van de uitkering reeds rekening was gehouden met de
inkomsten uit de Melkertbaan van appellant. Voorts staat vast dat
appellant eerst per 28 december 1996 inkomsten had. Evengenoemd stuk en
de daaraan ten grondslag gelegde nadere berekening lijkt ervan uit te
gaan dat van die inkomsten ook al per 1 oktober 1996 sprake was, terwijl
ten aanzien van [naam echtgenote] met betrekking tot het jaar 1996
alleen gesproken wordt over inkomsten over de maanden oktober en
november.
Het besluit van 18 augustus 2000 is in zoverre dan ook in strijd met
artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad ziet op grond van het vorenstaande aanleiding het besluit van 18
augustus 2000, voorzover betrekking hebbend op de intrekking, te
vernietigen.
Voorzover het besluit van 18 augustus 2000 betrekking heeft op de
terugvordering van algemene bijstand is hieraan, gelet op het
vorenstaande, de grondslag komen te ontvallen.
Uit de aan het terugvorderingsbesluit ten grondslag liggende stukken
leidt de Raad af dat niet alleen algemene bijstand is teruggevorderd,
maar dat de terugvordering tevens betrekking heeft op de in de jaren
1997 tot en met 1999 verleende bijzondere bijstand. Van een specifiek
hierop gericht intrekkingsbesluit, vereist vanaf 1 juli 1997, is de Raad
niet gebleken. Aan de voorwaarden voor terugvordering van deze bijstand,
zoals die gelden vanaf 1 juli 1997, is dan ook niet voldaan. De Raad
ziet aanleiding het besluit van 18 augustus 2000, voorzover betrekking
hebbend op de terugvordering, eveneens te vernietigen.
Gedaagde zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen, op het bezwaar van appellant een nieuw besluit dienen te
nemen.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,--
voor in beroep verleende rechtsbijstand en op € 322,-- voor in hoger
beroep verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 18 augustus 2000;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 966,--, te betalen door de gemeente Hardenberg;
Bepaalt dat de gemeente Hardenberg aan appellant het betaalde
griffierecht van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Th.C.
van Sloten en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23
maart 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|