|
Uitspraak
01/5183 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats 1], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. G. Palanciyan, advocaat te Amsterdam, op bij
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door
de rechtbank Amsterdam op 16 augustus 2001 tussen partijen gewezen
uitspraak, reg.nr. 00/4763 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 februari 2004, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Palanciyan, voornoemd, en
waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Mulder,
werkzaam in dienst van de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden, waarvan de juistheid door partijen niet is bestreden.
Appellant ontving laatstelijk met ingang van 20 september 1995 een
uitkering ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Algemene
Bijstandswet (ABW) naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering
is met ingang van 1 november 1996 voortgezet op grond van de Algemene
bijstandswet (Abw). Appellant heeft bij de Gemeentelijke Basis
Administratie vanaf 7 november 1987 ingeschreven gestaan op het adres [adres 1] te
[woonplaats 1]. Na een anonieme tip over samenwoning met [naam partner]
(hierna: [naam partner]) heeft de Sociale Recherche Amsterdam een
onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. Van de
bevindingen van het onderzoek is verslag gedaan in een rapport van 22
juni 1999. Geconcludeerd is dat appellant en [naam partner] in ieder
geval van 1 januari 1996 tot en met 30 april 1999 in gezinsverband
hebben samengewoond op het adres [adres 2] te [woonplaats 2].
Gedaagde heeft hierin aanleiding gevonden om de uitkering van appellant
bij besluit van 18 juni 1999 met ingang van 1 april 1999 te beëindigen.
Aangezien tegen dat besluit geen rechtsmiddel is aangewend is het in
rechte onaantastbaar geworden. Voorts heeft gedaagde hierin aanleiding
gevonden om het recht op uitkering over de periode van 1 januari 1996
tot en met 31 maart 1999 bij besluit van 14 oktober 1999 in te trekken
en de over die periode betaalde bijstand ten bedrage van f 69.085,04 van appellant terug te vorderen.
Gedaagde heeft het bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 1999 bij
besluit van 8 september 2000 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op
het standpunt dat appellant in de in geding zijnde periode geen
hoofdverblijf heeft gehouden in de [adres 1] te [woonplaats 1] maar op
het adres [adres 2] te [woonplaats 2] en dat hij daarvan - in strijd met
de op hem rustende inlichtingenplicht - aan gedaagde geen mededeling
heeft gedaan.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de
aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 14 van de ABW is bepaald dat bijstand aan een persoon wordt
verleend door burgemeester en wethouders van de gemeente waarin hij zich
bevindt. Met dit laatste wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad
gedoeld op een feitelijk criterium. Bepalend is, gelet hierop, de plaats
waar de belanghebbende, gedurende de periode waarop hij stelt aanspraak
te maken op bijstand, in het algemeen zijn feitelijk hoofdverblijf
heeft.
Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat het recht op
bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste
lid, en 11 (tot 1 januari 1998: titel 3) van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63
(tekst tot en vanaf 1 januari 1998) van de Abw dient naar vaste
rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van de
feitelijke omstandigheden.
Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken voldoende grondslag
voor de conclusie dat de gemeente Amsterdam in de in geding zijnde
periode niet de gemeente was waar appellant in het algemeen verblijf
hield, respectievelijk zijn woonplaats had. De Raad hecht
doorslaggevende betekenis aan de tijdens buurtonderzoek in Amsterdam en
[woonplaats 2] afgelegde getuigenverklaringen. Daaruit komt het beeld
naar voren dat appellant en [naam partner], met hun op 16 februari 1995
geboren zoon Angelo, in ieder geval in 1995 als gezin hebben
samengewoond op het adres [adres 1] en dat zij van daar uit als gezin
zijn verhuisd naar [adres 3] in [woonplaats 2]. Dit beeld vindt
bevestiging in het gegeven dat appellant zijn telefoonaansluiting heeft
laten overschrijven naar [woonplaats 2], dat hij zijn meubels in 1995
heeft verkocht, dat een getuige heeft verklaard dat de woning in
[woonplaats 1] na het vertrek van appellant en [naam partner] steeds
door wisselende personen is bewoond en dat de getuige Koot heeft
verklaard dat hij deze woning als onderhuurder heeft bewoond van
februari 1997 tot half november 1997. Dat appellant naar het adres
[adres 1] verzonden giroafschriften, alsmede andere correspondentie,
heeft overgelegd, acht de Raad gezien vorenstaande, uit het onderzoek
van de Sociale Recherche Amsterdam gebleken gegevens, onvoldoende om aan
te nemen dat appellant ten tijde in geding in [woonplaats 1]
hoofdverblijf hield, respectievelijk daar zijn woonplaats had. Voorts
heeft appellant de Raad er geenszins van kunnen overtuigen dat de
getuigen onjuiste verklaringen hebben afgelegd. Dat zij een verstoorde
relatie zouden hebben met appellant, dan wel dat zij niet op grond van
hun eigen waarneming tot hun verklaring hebben kunnen komen, is niet
aannemelijk gemaakt.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellant jegens
gedaagde in de periode in geding geen recht had op bijstand.
Gedaagde was bevoegd, en voor zover het de periode na 1 juli 1997
betreft op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de
Abw gehouden, om de bijstand van appellant in de periode in geding in te
trekken. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant de op
hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door geen mededeling te
doen van zijn werkelijke woonplaats waardoor hem ten onrechte bijstand
is verleend. Met betrekking tot de terugvordering stelt de Raad vast dat
is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en
onder d, van de ABW, respectievelijk artikel 81, eerste lid, van de Abw.
De Raad ziet in de omstandigheden van appellant geen dringende redenen
als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW, respectievelijk
artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid
toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op
grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. J.M.A. van
der Kolk-Severijns en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid
van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op
30 maart 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|