|
Uitspraak
01/5396 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A.P. Flinterman, werkzaam bij mrs. A.P.
Flinterman c.s. Belastingadviseurs-Bedrijfsjuristen te Woerden, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door
de rechtbank Utrecht op
3 september 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. SBR 00/966,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 februari 2004, waar voor
appellante is verschenen mr. Flinterman, en waar gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente
Utrecht.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant heeft op 13 mei 1997 een aanvraag om uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Bij besluiten van 27 en 30 juni
1997 zijn aan appellante voorschotten toegekend over respectievelijk de
perioden van 13 mei 1997 tot en met 30 juni 1997 en vanaf 1 juli 1997.
Gedaagde heeft bij besluit van 22 januari 1998 aan appellante met ingang
van 1 juni 1997 bijstand verleend en het recht op uitkering bij
hetzelfde besluit met ingang van 17 oktober 1997 beëindigd.
Bij besluit van 4 januari 2000 heeft gedaagde de te veel betaalde en nog
niet verrekende voorschotten, die zijn uitbetaald tot en met 18 januari
1998, van appellante op grond van artikel 80 van de Abw teruggevorderd
tot een bedrag van f 6.266,80.
Bij besluit van 10 april 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellante
tegen het besluit van 4 januari 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 10 april 2000 ingestelde
beroep gegrond verklaard voorzover het is gericht tegen de
terugvordering van de na 8 juli 1997 aan appellante verstrekte
voorschotten, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, bepaald dat
appellante terzake van de door gedaagde aan haar onverschuldigd
verstrekte voorschotten na 8 juli 1997 na verrekening een bedrag van f
5.557,42 (netto) aan gedaagde is verschuldigd, het beroep voor het
overige ongegrond verklaard en beslissingen gegeven terzake van
proceskosten en griffierecht.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat met betrekking tot de
periode tot en met 8 juli 1997 de terugvordering van de in die periode
verstrekte voorschotten, een bedrag van f 2.400,--, op artikel 80 van de
Abw dient te worden gebaseerd. Aangezien gedaagde het
terugvorderingbesluit geheel heeft gebaseerd op artikel 80 van de Abw,
heeft de rechtbank het besluit voorzover ziende op de terugvordering van
na 8 juli 1997 betaalde voorschotten vernietigd. De rechtbank heeft
echter aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante vanaf 17 oktober
1997 over de financiële middelen beschikte om in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te kunnen voorzien en dat zij, nu zij hiervan
geen mededeling aan gedaagde heeft gedaan, de op haar rustende
inlichtingenplicht heeft geschonden. Hieruit vloeit naar het oordeel van
de rechtbank voort dat gedaagde gehouden is tot terugvordering op grond
van artikel 81, eerste lid in verbinding met artikel 69, derde lid,
aanhef en onder a, van de Abw.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad is tot een ander oordeel gekomen dan de rechtbank ter zake van
de periode op grond waarvan met toepassing van artikel 80 van de Abw de
verleende voorschotten dienen te worden teruggevorderd, alsmede ter zake
van de grondslag van de terugvordering vanaf 17 oktober 1997. Daartoe
overweegt hij het volgende.
Ingevolge artikel 80 van de Abw vorderen burgemeester en wethouders een
ingevolge artikel 74 verleend voorschot terug van de belanghebbende
voorzover zij na onderzoek vaststellen dat over de betreffende periode
geen recht op bijstand bestaat. Zoals de Raad reeds eerder heeft
overwogen, de Raad verwijst daarbij naar zijn uitspraak van 11 maart
2003 gepubliceerd in USZ 2003/146 kunnen op grond van artikel 80 van de
Abw alleen die voorschotten worden teruggevorderd die zijn verstrekt
gedurende de in artikel 68 van de Abw neergelegde beslistermijn.
De Raad stelt vast dat die beslistermijn in dit geval loopt van 13 mei
1997 tot 8 juli 1997. Bij besluit van 22 januari 1998 is echter aan
appellante met ingang van 1 juni 1997 een bijstandsuitkering toegekend.
Ingevolge artikel 75, derde lid, van de Abw was gedaagde bevoegd de
vanaf 1 juni 1997 verleende bijstand te verrekenen met de over die
periode betaalde voorschotten.
Zoals de Raad in zijn uitspraak van 1 mei 2001, gepubliceerd in USZ
2001/159, heeft overwogen volgt uit de wets- geschiedenis van artikel 80
dat indien over een periode waarover een voorschot is verleend recht op
bijstand bestaat, aan de reeds verleende bijstand het voorschotkarakter
wordt ontnomen. De Raad leidt hieruit af dat aan de over de periode van 1 juni 1997 tot 17 oktober 1997 aan appellante in de vorm van een
voorschot verstrekte bijstand als gevolg van de toekenning van algemene
bijstand het voorschotkarakter is ontnomen.
Het vorenstaande betekent dat niet alleen het vanaf 8 juli 1997
verstrekte voorschot, maar ook het vanaf 1 juni 1997 betaalde voorschot
niet op grond van artikel 80 van de Abw kan worden teruggevorderd.
Aangezien de bedragen die in periode van 17 oktober 1997 tot en met 18
januari 1998 na ommekomst van de in artikel 68, eerste lid, van de Abw
vermelde beslistermijn zijn verstrekt, is ook aan deze bijstand het
voorschotkarakter komen te ontvallen. Terugvordering van de over deze
periode verstrekte bijstand dient te geschieden met inachtneming van
hoofdstuk VI, paragraaf 2, van de Abw.
Bij besluit van 22 januari 1998 heeft gedaagde aan appellante met ingang
van 1 juni 1997 een uitkering ingevolge de Abw toegekend en het recht op
uitkering bij hetzelfde besluit met ingang van 17 oktober 1997 beëindigd.
Mede gelet op de omstandigheid dat aan de over de periode van 17 oktober
1997 tot en met 18 januari 1998 verleende bijstand het voorschotkarakter
is komen te ontvallen, verstaat de Raad het beëindigingbesluit in het
licht van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 1 mei 2001
aldus, dat gedaagde bij dat besluit tevens het recht op uitkering over
de periode van 17 oktober 1997 tot en met 18 januari 1998 heeft
ingetrokken.
De Raad merkt dit intrekkingsbesluit aan als een besluit bedoeld in
artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw, waarmee artikel
81, eerste lid, van de Abw, de juiste grondslag is voor de
terugvordering van de verleende bijstand over de periode van 17 oktober
1997 tot en met 18 januari 1998.
De hoogte van het door gedaagde teruggevorderde bedrag als zodanig is
niet betwist en komt ook de Raad niet onjuist voor. Dit bedrag wijkt
evenwel af van het bedrag dat appellante volgens de rechtbank
verschuldigd is, namelijk f 2.400,-- vermeerderd met f 5.557,42.
De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat bij de
terugvordering rekening moet worden gehouden met een toeslag op grond
van de Toeslagenwet die appellante bij brief van 8 maart 2000 bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft aangevraagd, reeds
omdat op die aanvraag, zoals namens appellante ter zitting is bevestigd,
niet is beslist. Hetgeen overigens namens appellante naar voren is
gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking
respectievelijk terugvordering af te zien, is de Raad ten slotte niet
gebleken.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen zal de Raad de aangevallen
uitspraak in zijn geheel vernietigen met uitzondering van de
beslissingen omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten en,
doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, het beroep van
appellante gegrond verklaren, het besluit van 10 april 2000 gedeeltelijk
vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel
van dat besluit in stand blijven.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de beslissingen
omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 10 april 2000 voorzover het betreft de
terugvordering over de periode vanaf 1 juni 1997;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit
van 10 april 2000 in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 644,--, te betalen door de gemeente Utrecht;
Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellante het betaalde griffierecht
van € 77,14 ( f 170,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) L. Jörg.
|
|