|
Uitspraak
01/3867 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 12 juni 2001
tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/2277 NABW, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. M.M. Hofman-Ruigrok, advocaat te Amsterdam,
een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 februari 2004, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door F. Fris, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. R. Reumkens, advocaat te Amsterdam.
II. MOTIVERING
Gedaagde ontving sedert 29 november 1991 achtereenvolgens een uitkering
ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers en - met ingang van
1 juli 1996 - op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm
voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van een anonieme melding dat gedaagde een eigen
schoonmaakbedrijf zou hebben en tevens in de avonduren zou werken als
schoonmaker op de markthallen is vanwege appellant een onderzoek
ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan hem toegekende
bijstandsuitkering.
Op grond van de - in een rapport van 11 februari 1999 neergelegde -
bevindingen van dit onderzoek, dat heeft bestaan uit een administratief
onderzoek, het verrichten van observaties bij de markthallen en het
verhoren van getuigen, alsmede het verhoren van gedaagde zelf, is bij
besluit van appellant van 30 maart 1999 de uitkering van gedaagde over
de periode van 1 augustus 1994 tot en met 31 december 1998 herzien (lees: ingetrokken)
en de over die periode betaalde bijstand, een bedrag van f 72.333,85
(netto), van gedaagde teruggevorderd. Hierbij is overwogen dat gedaagde
over genoemde periode beschikte over een inkomen dat tenminste gelijk
was aan de voor hem geldende bijstandsnorm.
Appellant heeft het tegen het besluit van 30 maart 1999 gemaakte bezwaar
bij besluit van 18 februari 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het door gedaagde tegen het besluit van 18 februari
2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en
appellant opdracht gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op
bezwaar. Tevens zijn beslissingen gegeven ter zake van de vergoeding van
proceskosten en griffierecht.
Alleen appellant heeft - gemotiveerd - tegen de aangevallen uitspraak
hoger beroep ingesteld.
De Raad zal allereerst de omvang van het geding in hoger beroep
vaststellen. Daartoe zijn de volgende aan de aangevallen uitspraak
ontleende overwegingen van de rechtbank van belang (waarbij in de plaats
van eiser en verweerder respectievelijk dient te worden gelezen gedaagde
en appellant):
"Nu is komen vast te staan dat eiser te kort is geschoten in zijn
wettelijke plicht tot het geven van juiste en volledige inlichtingen, is
verweerder op grond daarvan in beginsel gerechtigd de over de betrokken
periode gemaakte kosten volledig terug te vorderen. Het is dan aan eiser
om feiten te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit kan worden
afgeleid dat hem ook als hij zijn verplichting tot het geven van
inlichtingen wél naar behoren was nagekomen, volledige, althans
aanvullende bijstand naar de norm voor een alleenstaande over die
periode zou zijn verstrekt.
In geschil is de vraag of aannemelijk is dat eiser minder dan de
bijstandsnorm aan inkomsten heeft ontvangen in de periode waarover
verweerder terugvordert. De rechtbank is van oordeel dat uit de uit de
getuigenverklaringen is af te leiden dat eiser maximaal 17,5 uur per
week (5 dagen van drie en een half uur) gewerkt heeft. Meer gewerkte
uren dan wel andere werkgevers zijn door verweerder niet bewezen noch
aannemelijk zijn gemaakt. Dit in relatie tot het ten tijde van belang
toepasselijke wettelijk minimumloon had voor verweerder aanleiding
moeten zijn om te bezien of dit tot een gedeeltelijke terugvordering had
moeten leiden."
Deze overwegingen, in samenhang bezien, kunnen niet anders worden
begrepen dan dat appellant, teneinde het juiste bedrag van de
terugvordering te bepalen, nader onderzoek moet doen naar de omvang van
het recht van gedaagde op een bijstandsuitkering uitgaande van 17,5 door
hem gewerkte uren, en tevens dat gedaagde niet heeft bewezen of
aannemelijk heeft gemaakt dat hij minder dan 17,5 uren per week heeft
gewerkt.
Uit het hoger beroepschrift blijkt dat appellant zich uitdrukkelijk
heeft verenigd met het oordeel van de rechtbank dat gedaagde (maximaal)
17,5 uren per week heeft gewerkt. Gelet daarop en in aanmerking genomen
dat gedaagde niet zelf tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger
beroep is gekomen, moet dit oordeel van de rechtbank als thans in rechte
vaststaand worden beschouwd.
Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van appellant zijn standpunt dat
hij zich op dit onderdeel met het oordeel van de rechtbank kan verenigen
in die zin bijgesteld, dat dit slechts geldt voor één werkgever van
gedaagde. Dat acht de Raad in verband met het voorgaande evenwel niet
aanvaardbaar en overigens, mede gelet op het tijdstip waarop deze
bijstelling heeft plaatsgevonden, in strijd met een goede procesorde.
Het hoger beroepschrift bevat immers als enige beroepsgrond dat de
rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd, uitgaande van 17,5 gewerkte
uren, dat appellant had moeten bezien of dit tot een gedeeltelijke
terugvordering had moeten leiden. Naar aanleiding van dat beroepschrift
heeft gedaagde een verweerschrift ingediend. Gedaagde heeft voorts met
de wijziging van de gronden van het hoger beroep ter zitting geen
rekening kunnen houden en, gelet op de duidelijke bewoordingen van het
beroepschrift, ook niet behoeven te houden.
Het voorgaande brengt mee dat de Raad niet toekomt aan een beoordeling
van het in het verweerschrift nog neergelegde standpunt van gedaagde dat
hij slechts f 60,-- per week heeft verdiend. In dit verband merkt de
Raad overigens op dat de rechtbank dit bedrag slechts heeft genoemd om
aan te geven dat gedaagde (in ieder geval) heeft beschikt over deze
inkomsten en dat hij, door zulks niet aan appellant te melden, zijn
inlichtingenplicht jegens appellant heeft geschonden.
Zich vervolgens beperkend tot het resterende punt van geschil, overweegt
de Raad het volgende.
In het beroepschrift heeft appellant betoogd dat, hoewel het mogelijk en
wellicht zelfs waarschijnlijk is dat - uitgaande van 17,5 gewerkte uren
- voor gedaagde een recht op bijstand resteerde, hij niettemin
gerechtigd bleef de volledige bijstand terug te vorderen, aangezien
onduidelijk en oncontroleerbaar is tot welk bedrag gedaagde inkomsten
heeft ontvangen. Deze inkomsten kunnen volgens appellant ook boven het
wettelijk minimumloon hebben gelegen.
Naar het oordeel van de Raad kan, in aanmerking genomen het vaststaande
aantal gewerkte uren, niet worden staande gehouden dat het recht op
bijstand niet kon worden vastgesteld en dat derhalve - wegens het
ontbreken van een (aanvullend) recht op bijstand - de gehele
bijstandsuitkering moest worden teruggevorderd. In zoverre acht de Raad
het standpunt van appellant te vergaand en volgt de Raad het oordeel van
de rechtbank. Anders dan de rechtbank, ziet de Raad echter geen
verplichting voor appellant om bij de nadere bepaling van gedaagdes
aanspraak op (aanvullende) uitkering en de vaststelling van het bedrag
van de terugvordering uit te gaan van het wettelijk minimumloon. De Raad
acht het evenzeer rechtens juist indien appellant daarbij als maatstaf
zou nemen het op basis van de CAO voor het schoonmaakbedrijf voor
gedaagde geldende loon.
De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak, voorzover door appellant aangevochten, voor
bevestiging in aanmerking komt, met dien verstande dat appellant zal
worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van gedaagde
met inachtneming van de uitspraak van de Raad.
De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,--
wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaar van
gedaagde met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
€ 644,-- te betalen door de gemeente Amsterdam;
Bepaalt dat van de gemeente Amsterdam een griffierecht wordt gegeven van
€ 348,--.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 april
2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|