|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/580 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
de door de rechtbank Rotterdam op 6 december 2001 tussen partijen
gewezen uitspraak, reg.nr. 01/766 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7
april 2004, waar partijen - appellant met bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten die de
rechtbank in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft
aangenomen.
In geding is de vraag of het besluit van 21 februari 2001, na door
appellant gemaakt bezwaar tegen het besluit van 11 mei 2000, in rechte
stand kan houden. Bij dit besluit heeft gedaagde de aanvraag van
appellant van 19 april 2000 tot toekenning van een bijstandsuitkering
afgewezen op de grond dat appellant niet rechtmatig in de zin van de
Algemene bijstandswet (Abw) in Nederland verblijft.
Die vraag is in de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord. De
rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven
samenstel van Nederlandse rechtsregels geoordeeld dat appellant ten
tijde hier van belang geen recht kon doen gelden op een uitkering
ingevolge de Abw, aangezien hij geen vreemdeling was in de zin van
artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (oud) (Vw) en hij
ook niet op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid (oud), van de
Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit
gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (oud) (Stb. 1998, 308)
met een Nederlander kon worden gelijkgesteld. Voorts heeft de rechtbank
onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 juni 2001,
gepubliceerd in USZ 2001/183, geoordeeld dat met de afwijzing van de in
geding zijnde aanvraag van appellant geen sprake is van een niet
gerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit. De rechtbank heeft er
daarbij op gewezen dat de enkele omstandigheid dat appellant gedurende
de periode van 28 augustus 1995 tot 13 december 1995 een uitkering
ingevolge de Ziektewet heeft genoten, onvoldoende grond vormt voor het
oordeel dat er in dit geval, in het licht van evenvermelde uitspraak van
de Raad van 26 juni 2001, sprake is van een onrechtmatige afbouw van een
bestaande rechtspositie. Zulks geldt naar het oordeel van de rechtbank
te meer nu door of namens appellant aangetoond noch aannemelijk is
gemaakt dat appellant in de periode van 13 december 1995 tot 1 juli 1998
op ander wijze middels legale werkzaamheden dan wel anderszins in
Nederland een zodanige rechtspositie heeft opgebouwd.
De Raad heeft in hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd
- dat in vergelijking met de grieven in eerste aanleg geen wezenlijk
nieuwe gezichtspunten bevat - en hetgeen overigens in de gedingstukken
vermeld staat, geen aanleiding kunnen vinden om tot een ander oordeel te
komen. Hij onderschrijft daarbij de overwegingen uit de aangevallen
uitspraak.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 april
2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|