|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/1158 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. S.A.M. Bakker, advocaat te Maastricht, op bij
een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen de door de rechtbank Maastricht op 11 januari 2002 tussen partijen
gewezen uitspraak, reg.nr. 0/967 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is gevoegd met het geding met reg.nr. 01/6163 NABW behandeld
ter zitting van 16 maart 2004, waar appellant - met voorafgaand bericht
- niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door L.B.W. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Raad de gevoegde
zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
III. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geval van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)
naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Bij besluit van 5 oktober 1999 heeft gedaagde de uitkering van
appellant, met toepassing van artikel 5, eerste lid aanhef en onder b,
van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna:
Maatregelenbesluit) bij wijze van maatregel voor de duur van een maand
verlaagd met 10% wegens het niet naar vermogen trachten arbeid in
dienstbetrekking te krijgen.
Bij besluit van 23 maart 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellant
met ingang van 1 april 2000 bij wijze van maatregel voor de duur van
vier maanden verlaagd met 50% wegens het driemaal niet aanvaarden van
passende arbeid.
Bij besluit van 13 juni 2000 is het bezwaar tegen het besluit van 23
maart 2000 ongegrond verklaard op de grond dat appellant ten onrechte
passende arbeid heeft geweigerd en door eigen toedoen geen passende
arbeid heeft verkregen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant
tegen het besluit van 13 juni 2000 ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voorzover hier van belang,
dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk VIII van de Abw
aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is
nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of
gedeeltelijk weigeren.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een maatregel bedoeld
in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel
wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt. In het vijfde lid is bepaald dat bij algemene maatregel van
bestuur met betrekking tot het eerste en het tweede lid nadere regels
kunnen worden gesteld. De desbetreffende algemene maatregel van bestuur
is het Maatregelenbesluit.
Ingevolge artikel 113, eerste lid, aanhef en onder c (oud), van de Abw
is de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan
is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, verplicht passende arbeid
te aanvaarden. Het tweede lid van dit artikel bepaalt voorzover van
belang dat onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de
krachten en bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij
aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard
niet van hem kan worden gevergd.
Uit de gedingstukken is gebleken dat appellant -voor wie de
verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid (oud), van de Abw
golden - op 8 april 1999 een functie als medicijnbezorger/ allround
medewerker/ schoonmaak bij een apotheker in Maastricht heeft geweigerd.
Voorts is gebleken dat appellant tijdens een sollicitatiegesprek op 10 augustus 1999 bij apotheker Prickartz zich op een zodanig negatieve
wijze heeft opgesteld dat aan hem de functie van farmaceutisch vakman
niet is aangeboden. Verder is aan appellant na een gesprek op 20
september 1999 bij het AZM de functie en opleidingsplaats als
apothekersassistent niet aangeboden aangezien hij heeft aangegeven
alleen als apotheker werkzaam te willen zijn en hiervoor te gaan
studeren in Utrecht.
In hoger beroep - evenals in eerste aanleg - heeft appellant bestreden
dat de hem aangeboden functie als medicijnbezorger/ allround medewerker/
schoonmaak bij een apotheker in Maastricht passend is aangezien hij in
Irak voorafgaand aan zijn komst naar Nederland in 1992 heeft gewerkt als
apotheker.
De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden om de
functie niet passend voor gedaagde te achten. Hiertoe overweegt de Raad
mede dat appellant reeds vijf jaar werkloos was. De omstandigheid dat
appellant in Irak voorafgaand aan zijn komst naar Nederland als
apotheker heeft gewerkt, leidt niet tot het oordeel dat de aangeboden
functie niet passend zou zijn.
Door passende arbeid te weigeren, is appellant de ingevolge artikel 113,
eerste lid, aanhef en onder c (oud), van de Abw op hem rustende
verplichting niet nagekomen. Van deze gedraging kan niet worden gezegd
dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat
gedaagde in beginsel op grond van artikel 14, eerste lid, van de Abw
gehouden was een maatregel op te leggen. Ingevolge het bepaalde in
artikel 3, aanhef en onder 4, onderdeel a, en artikel 5, eerste lid,
aanhef en onder d, van het Maatregelenbesluit wordt in het geval sprake
is van het niet aanvaarden van passende arbeid de weigering van bijstand
vastgesteld op 100% voor de duur van een maand. Voorts is gebleken dat
binnen een periode van twaalf maanden na een vorige als verwijtbaar
aangemerkt gedraging wederom sprake is geweest van een verwijtbare
gedraging uit een hogere categorie, zodat ter zake van die gedraging
toepassing van artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit, de
recidivebepaling, aangewezen is.
De Raad merkt op, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 12 maart
2002, gepubliceerd in JABW 2002/59 en RSV 2002/123, dat de bepalingen
van het Maatregelenbesluit onverlet laten dat op grond van het bepaalde
in artikel 14, tweede lid, van de Abw kan worden afgeweken van de in dat
besluit voorgeschreven standaardmaatregelen. Dit kan er in specifieke
situaties toe leiden dat een zwaardere dan wel een lichtere maatregel
dan de standaardmaatregel is aangewezen; deze afwijking kan betrekking
hebben op de hoogte en/of de duur van de maatregel. Hierbij wordt
aangetekend dat de op te leggen maatregel niet in strijd mag zijn met
het algemeen rechtsbeginsel dat evenredigheid dient te bestaan tussen de
maatregel en de ernst van de gedraging.
De vraag of gedaagde op goede gronden heeft besloten af te wijken van de
standaardmaatregel van weigering van de bijstand met 100% voor de duur
van twee maanden, beantwoordt de Raad bevestigend. Hiertoe is van belang
dat na de weigering van passende arbeid op 8 april 1999 appellant in een
negatieve houding ten aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces
heeft volhard, in aanmerking genomen dat appellant door deze negatieve
opstelling tijdens de gesprekken bij apotheker Prickartz en het AZM op
respectievelijk 10 augustus 1999 en 20 september 1999 geen functie is
aangeboden. Naar het oordeel van de Raad zijn deze gedragingen - anders
dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen - aan te
merken als gedragingen van de derde categorie in de zin van artikel 3,
aanhef en onder 3, van het Maatregelenbesluit. Verder is uit de
gedingstukken af te leiden dat het abeidsmarkttoegeleidingstraject met
appellant is beëindigd omdat hij dusdanige eisen stelde aan de
arbeidsbemiddeling dat dit in ernstige mate bemoeilijkt werd. Gedaagde
heeft naar aanleiding van de gedragingen van appellant, rekening houdend
met zijn individuele omstandigheden, gelegen in het feit dat de partner
van appellant geen Abw-uitkering ontving en hij de zorg droeg over een
kind dat jonger is dan vijf jaar, afgeweken van de standaardmaatregel en
aan appellant een maatregel van 50% voor de duur van vier maanden
opgelegd.
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de door gedaagde
opgelegde maatregel voldoet aan het in artikel 14, tweede lid, van de
Abw neergelegde afstemmingsvereiste. Van dringende redenen als bedoeld
in artikel 14, vierde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken, zodat
gedaagde niet bevoegd was van het opleggen van een maatregel af te zien.
De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27
april 2004.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|