|
Uitspraak
02/582 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. drs. G.J.J.M. Pubben, advocaat te Utrecht, op
bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een
door de rechtbank Utrecht tussen partijen op 14 december 2001 gewezen
uitspraak, reg.nr. 01/1168, waarnaar hierbij worden verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nog nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 maart 2004 waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Pubben, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
Chr. van den Berg, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. MOTIVERING
Bij uitspraak van 7 maart 2001 met reg.nrs. 99/894 en 99/5500 heeft de
Raad de door de rechtbank Utrecht op 6 januari 1999 en 16 september 1999
tussen partijen gewezen uitspraken vernietigd, de beroepen van appellant
tegen de bestreden besluiten van gedaagde van 20 november 1997 en 4
september 1998 gegrond verklaard en deze besluiten eveneens vernietigd.
Voorts is gedaagde de opdracht gegeven op de bezwaren van appellant
tegen de primaire besluiten van 28 juli 1997 en 24 maart 1998 een nieuwe
beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.
Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 7 maart 2001 heeft
gedaagde het besluit van 14 mei 2001 genomen. In de uitspraak van de
rechtbank van 14 december 2001, de thans aangevallen uitspraak, heeft de
rechtbank de inhoud van dat besluit als volgt weergegeven (waarbij
appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid):
"Voor wat betreft de periode van 1 augustus 1992 tot en met 31
december 1995 heeft verweerder de kosten van bijstand teruggevorderd op
basis van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW, aangezien eiser de
inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW
niet was nagekomen. Dienaangaande heeft verweerder aangevoerd dat eiser
niet heeft gemeld dat hij de hem toegewezen huurwoning aan de [adres] te
[woonplaats] in de periode van begin 1991 tot 5 juni 1997 had verhuurd.
Verder is gebleken dat eiser in de eerstgenoemde periode op verschillen
adressen heeft gewoond, zonder dat hij de uitkerende instantie hiervan
op de hoogte had gesteld, en dat eiser onjuiste informatie heeft
verstrekt aangaande zijn werktijden en zijn salaris, zoals hij die had
vanaf 29 september 1994. Nu eiser geen, dan wel tegenstrijdige, dan wel
onjuiste informatie heeft verstrekt ten aanzien van zijn woonplaats en
zijn financiële situatie, kan verweerder niet (langer) vaststellen of,
en in hoeverre eiser in deze periode in de omstandigheden verkeerde als
bedoeld in artikel 1 van de ABW. Ten aanzien van de periode van 1
januari 1996 tot en met 30 juni 1997 heeft verweerder aangegeven dat
eiser de verplichtingen, als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de
Abw (tekst tot 1 juli 1997), niet behoorlijk is nagekomen, aangezien hij
zijn - eerdergenoemde - werkzaamheden niet had opgegeven en er (ook) in
deze periode nog sprake is van verzwegen huur. Gelet hierop heeft
verweerder de in deze periode uitbetaalde uitkering eveneens
teruggevorderd, en wel op basis van artikel 81, eerste lid, van de Abw.
Met betrekking tot de periode van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1997
heeft verweerder aangegeven dat het recht op bijstand wordt ingetrokken
op basis van artikel 69, derde lid, van de Abw; juncto artikel 65,
eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van de Abw. De kosten van bijstand
worden vervolgens teruggevorderd op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Ook voor deze periode geldt dat
eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door omtrent de omvang van
en de verdiensten uit eisers horeca-activiteiten tegenstrijdige
documenten en tegenstrijdige informatie te verstrekken, aldus
verweerder.Verweerder heeft in aanvulling op het vorenstaande nog
opgemerkt dat hem van geen dringende redenen is gebleken om geheel of
gedeeltelijk af te zien van de terugvordering. Gebleken is (in ieder
geval) dat eiser in voornoemde perioden f 61.861.79 netto aan bijstand
heeft ontvangen. Dit bedrag dient ingevolge artikel 90 van de Abw
geboudeerd te worden. Nu het hiermee verkregen bruto-bedrag echter hoger
zou zijn dan de in eerste instantie teruggevorderde bedragen, waarmee er
sprake zou zijn van 'reformatio in peius', heeft verweerder de (lees:
het) terug te vorderen bedrag beperkt en vastgesteld op f 70.809,86
bruto."
Het door appellant tegen het besluit van 14 mei 2001 ingestelde beroep
heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad staat thans voor het antwoord op de vraag of gedaagde een juiste
uitvoering heeft gegeven aan de eerder door de Raad, op 7 maart 2001,
gegeven uitspraak.
De Raad overweegt hieromtrent het volgende.
Met betrekking tot de op appellant ter zake van het beoordeelde tijdvak,
1 augustus 1992 tot en met 28 februari 1998, rustende
inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de
Algemene Bijstandswet (ABW) respectievelijk artikel 65, eerste lid, van
de Algemene bijstandswet (Abw) heeft de Raad in zijn eerdere uitspraak
geoordeeld dat die verplichting door appellant is geschonden. Hiervan
uitgaande heeft gedaagde het besluit van 14 mei 2001 genomen. Met de
rechtbank is de Raad van oordeel dat dit besluit in die zin een juiste
uitvoering is van de eerdere uitspraak van de Raad van 7 maart 2001. De Raad volstaat ermee te verwijzen naar hetgeen de
rechtbank hieromtrent heeft overwogen.
Appellant heeft aan de Raad nog doen toekomen een arrest van het
gerechtshof Amsterdam van 21 november 2002 waarbij appellant in hoger
beroep is vrijgesproken van hetgeen hem te laste is gelegd, te weten
enig gegeven verzwijgen met het oogmerk om voor zichzelf bijstand te
behouden, omdat niet bewezen werd geacht dat appellant het oogmerk had
om voor zichzelf de bijstand te behouden.
De Raad merkt dienaangaande op dat overeenkomstig zijn vaste
jurisprudentie, de rechter in een bestuursrechtelijke procedure in het
algemeen niet gebonden is aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door
de betrokken rechter is geoordeeld. Nu de Raad in zijn uitspraak van 7
maart 2001 heeft vastgesteld dat appellant gedurende de hier in geding
zijnde periode de op hem rustende informatieplicht heeft geschonden, kan
bij de beantwoording van de vraag of gedaagde aan deze uitspraak een
juiste uitvoering heeft gegeven aan het door appellant genoemde arrest
dan ook in het geheel niet dat belang worden gehecht dat appellant
daaraan gehecht wenst te zien.
Gedaagde heeft de primaire herzienings- en intrekkingsbesluiten
voorzover betrekking hebbend op de periode tot 1 juli 1997 kunnen
herroepen en voorts heeft gedaagde wat de intrekking van het recht op
uitkering over de periode vanaf 1 juli 1997 betreft dit besluit
overeenkomstig de door de Raad gegeven aanwijzingen terecht gebaseerd op
artikel 69, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 65, eerste
lid, en artikel 7, eerste lid, van de Abw zoals deze bepalingen vanaf 1
juli 1997 luiden.
Hetgeen namens appellant in hoger beroep met betrekking tot het
intrekkingsbesluit overigens nog is aangevoerd leidt de Raad niet tot
een ander oordeel.
De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel
69, vijfde lid, van de Abw, in welk geval gedaagde bevoegd is geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
De door gedaagde bij het besluit van 14 mei 2001 genomen
terugvorderingsbesluiten zijn overeenkomstig de uitspraak van de Raad
van 7 maart 2001 gebaseerd op artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW
wat de periode tot 1 januari 1996 betreft, op 81, eerste lid (oud), van
de Abw voor de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 en op artikel
81, eerste lid (nieuw), van de Abw voor het tijdvak van 1 juli 1997 tot
en met 28 februari 1998.
Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien, als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk
artikel 78, derde lid, van de Abw (voor de periode vanaf 1 januari 1996)
is de Raad niet gebleken.
Met betrekking tot de hoogte van het bedrag van de terugvordering heeft
gedaagde in zijn besluit van 14 mei 2001 overwogen dat de totale kosten
van bijstand over periode van 1 augustus 1992 tot en met 28 februari
1998 (in ieder geval een bedrag van ruim f 61.000,-- netto) het totaal
van de in de primaire besluiten van 28 juli 1997 en 24 maart 1998
genoemde bedragen overschrijden. Bij deze besluiten is het (bruto)
bedrag van de terugvordering bepaald op f 23.424,89 respectievelijk f 47.384,97, totaal derhalve een bedrag van f 70.809,86. Onder
verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 7 maart 2001, waar is
gewezen op het in artikel 7:11 en 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) neergelegde verbod van reformatio in peius, heeft gedaagde het
bedrag van de terugvordering beperkt tot het evengenoemde bedrag van f
70.809,86. Daarbij is echter niet onderkend dat gedaagde bij zijn
besluit van 20 november 1998, waarbij is beslist op het tegen het
primair besluit van 28 juli 1998 gemaakte bezwaar, het bedrag van de
terugvordering wat dit besluit betreft nader heeft vastgesteld op f 16.945,79. Geen sprake is van nader gebleken feiten en omstandigheden
op grond waarvan gedaagde bij het besluit van 14 mei 2001 gehouden was
om alsnog uit gaan van het in het primaire besluit van 28 juli 1997
genoemde bedrag. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van
26 mei 2003, gepubliceerd in onder meer JB 2003/195. Gedaagde had dan
ook het bedrag van de terugvordering dienen vast te stellen op f
16.945,79 vermeerderd met f 47.384,97 zijnde in totaal f 64.330,76.
De Raad zal gelet hierop het besluit van 14 mei 2001, wat het bedrag van
de terugvordering betreft, vernietigen en met toepassing van artikel
8:72, vierde lid, van de Awb dit bedrag vaststellen op € 29.192,03 (f
64.330,76).
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en op eveneens € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 14 mei 2001 wat de hoogte van de
terugvordering betreft;
Stelt het bedrag van de terugvordering vast op € 29.192,03;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot € 1288,-- te betalen door de gemeente Utrecht aan de griffier
van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het betaalde griffierecht
van in totaal € 109,22 (f 240,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E.
Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.E. Broekman.
|
|