|
Uitspraak
02/182 NABW en 02/1112 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft M. Bockting, sociaal raadsman te Lelystad, op bij
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de
rechtbank Zwolle op 27 november 2001 tussen partijen gewezen uitspraak,
reg.nrs. NABW 00/7200 en 01/669, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 2004, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door M. Bockting, en waar gedaagde
zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor de in dit geding relevante feiten verwijst de Raad naar de
aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant ontving naast zijn uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering van 23 oktober 1995 tot 23 oktober 1996 een zogeheten vervolguitkering ingevolge de
Werkloosheidswet en vanaf laatstgenoemde datum een uitkering ingevolge
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte
werknemers. Bij besluit van 28 januari 1997 heeft gedaagde appellant bijzondere bijstand voor
woonkosten toegekend voor het tijdvak van 1 september 1996 tot 1 juli
1997.
Onder dagtekening 14 oktober 1997 is aan appellant een voorlopige
aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd over
1996 ten bedrage van f 2.107,--. Deze belastingaanslag was het gevolg
van een onjuiste tariefgroepindeling. Naar aanleiding hiervan heeft
appellant op 7 maart 1998 gedaagde om bijzondere bijstand voor
woonkosten verzocht. Het bezwaar van appellant tegen het afwijzende
besluit van gedaagde op deze aanvraag is ongegrond verklaard bij besluit
van 13 januari 1999. De rechtbank Zwolle heeft dat besluit wegens strijd
met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd.
Gedaagde heeft vervolgens opnieuw op het bezwaar beslist bij besluit van
6 juni 2000 en daarbij het jaar 1995 als beoordelingsperiode genomen.
Hangende het beroep van appellant daartegen is dat besluit weer
ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit gedateerd 6 juni 2001.
Bij laatstgenoemd besluit heeft gedaagde geweigerd bijzondere bijstand
voor woonkosten aan appellant toe te kennen over de periode van 23
oktober 1995 tot 1 september 1996.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 6 juni 2000 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen
het besluit van 6 juni 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep allereerst gekeerd tegen de
ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 6 juni 2001. Hij kan zich niet verenigen met de weigering hem bijzondere
bijstand voor woonkosten toe te kennen over de periode van 1 januari
1996 tot 1 september 1996. Voorts is als grief aangevoerd dat de
rechtbank had moeten bepalen dat het in eerste aanleg betaalde
griffierecht wordt vergoed.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Zoals uit de wetsgeschiedenis van artikel 45 van de Algemene
bijstandswet (Abw) blijkt, wordt bij de toepassing van de Abw geen
rekening gehouden met toekomstige belastingteruggaven of naheffingen.
Indien over de ontvangen middelen alsnog op aanslag inkomstenbelasting
en premies volksverzekeringen dienen te worden afgedragen, worden de
daarmee gemoeide bedragen met terugwerkende kracht in mindering gebracht
op het inkomen. Voor een belastingaanslag kan derhalve met terugwerkende
kracht bijstand worden verleend in de mate dat de bijstand op een hoger
bedrag zou zijn vastgesteld, indien de totale verschuldigde belasting en
premies reeds in het kader van de loonbelasting op het inkomen waren
ingehouden. Ingeval de aanslag betrekking heeft op een jaar waarin de
betrokkene slechts gedurende een beperkte periode bijstandsafhankelijk
was, zal een toedeling dienen plaats te vinden naar de periode waarover
bijstand is ontvangen (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, blz.
147). Bijstandsverlening met terugwerkende kracht voor woonkosten is
niet mogelijk gedurende (het gedeelte van het) jaar waarover geen
bijstand is ontvangen en op andere wijze reeds in die kosten is
voorzien. Dat is hier het geval gedurende de periode van 1 januari 1996
tot 1 september 1996. De omstandigheid dat appellant op 5 oktober 1995
reeds bijzondere bijstand voor woonkosten had gevraagd maakt dit niet
anders.
Voorts kan niet worden gezegd dat op deze wijze een ongerechtvaardigd
onderscheid wordt gemaakt tussen een bijstandsgerechtigde en een
belanghebbende die, zoals appellant, in de hier in geding zijnde periode
een ander inkomen op bijstandsniveau had. De omstandigheden van een
belanghebbende aan wie algemene bijstand is toegekend in aanvulling op
zijn inkomsten onder bijstandsniveau en die naderhand over die inkomsten
inkomstenbelastingpremies volksverzekeringen is verschuldigd, zijn
immers niet vergelijkbaar met die van een belanghebbende die over
voldoende middelen beschikte en geen recht heeft op aanvullende
bijstand, en naderhand wordt geconfronteerd met een belastingaanslag.
De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking
voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 6 juni 2001 ongegrond is verklaard.
De Raad volgt appellant wel in zijn standpunt dat de rechtbank had
moeten bepalen dat het in eerste aanleg betaalde griffierecht wordt
vergoed, aangezien het besluit van 6 juni 2000 door gedaagde niet langer
is gehandhaafd en is vervangen door een besluit dat betrekking heeft op
een periode waarop ook de desbetreffende belastingaanslag aanslag ziet.
De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd voorzover deze
betrekking heeft op het griffierecht. De Raad zal met toepassing van
artikel 8:74, tweede lid, van de Awb doen hetgeen de rechtbank had
behoren te doen. Gelet op artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet
dient ook het in hoger beroep betaalde griffierecht te worden vergoed.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen
het besluit van 6 juni 2001 ongegrond is verklaard;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op
het griffierecht;
Bepaalt dat de gemeente Lelystad aan appellant het betaalde griffierecht
van in totaal € 109,23 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs.
Th.G.M. Simons en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni
2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|