|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/3697 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, op de in
een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2002, reg.nr.
01/4004 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 02/3696 NABW,
behandeld ter zitting van 7 juni 2004, waar voor appellante is
verschenen mr. De Bie en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door drs. A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Raad besloten in
het onderhavige geding afzonderlijk uitspraak te doen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante, geboren in 1950, ontvangt in aanvulling op haar uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een
alleenstaande.
Appellante is laatstelijk bij besluit van 3 april 2001 vrijgesteld
[lees: ontheven, red.] van de verplichtingen als bedoeld in
artikel 113, eerste lid, van de Abw (hierna: de arbeidsverplichtingen).
Gedaagde heeft bij besluit van 5 juni 2001 aan appellante toestemming
verleend voor een verblijf van maximaal vier weken buiten Nederland met
behoud van het recht op uitkering en het recht op uitkering met ingang
van 20 juli 2001 beëindigd.
Bij besluit van 5 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellante
tegen het besluit van 5 juli 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2001 bij
de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Appellante heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de Regeling
gebruikelijke vakantieduur in het geval van appellante wegens strijd met
artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten buiten toepassing dient te
worden gelaten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gelet op haar leeftijd mocht appellante op grond van artikel 9, eerste
lid, aanhef en onder d, van de Abw in samenhang met artikel 1, van de op
artikel 9, derde lid, van de Abw gebaseerde Regeling gebruikelijke
vakantieduur maximaal vier weken per jaar in het buitenland verblijven
met behoud van haar bijstandsuitkering. In artikel 1 van deze Regeling
is immers bepaald dat onder gebruikelijke vakantieduur, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw, wordt verstaan:
voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is: dertien weken per
kalenderjaar (onderdeel a), en voor de overige belanghebbenden: vier
weken per kalenderjaar (onderdeel b).
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad zijn in de
totstandkomingsgeschiedenis van artikel 9 van de Abw en de Regeling
gebruikelijke vakantieduur geen argumenten aangetroffen ter
rechtvaardiging van het onderscheid naar leeftijd tussen enerzijds
bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar en ouder en anderszijds jongere
bijstandsgerechtigden ten aanzien van wie buiten twijfel is dat het
voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid,
van de Abw, niet althans niet (meer) in de voor de beoordeling relevante
periode, mag worden gevergd.
Vaststaat dat appellante in de periode in geding was vrijgesteld [lees:
ontheven, red.] van de arbeidsverplichtingen. De Regeling
gebruikelijke vakantieduur dient daarom in het geval van appellante
wegens strijd met artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten buiten
toepassing te worden gelaten.
De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende
hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad beslissen zoals
hieronder is aangegeven.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de
ten onrechte niet uitbetaalde uitkering. Met het voorgaande is gegeven
dat appellante schade heeft geleden, te weten renteschade bestaande in
vertraagde uitbetaling van de uitkering, waardoor appellantes verzoek in
beginsel voor toewijzing in aanmerking komt. Het verzoek kan thans
echter niet worden toegewezen, omdat de Raad onvoldoende inzicht heeft
in de omvang van deze schade. Hiervoor is immers eerst nadere
besluitvorming door gedaagde noodzakelijk. Gedaagde zal bij het nemen
van een nieuw besluit op bezwaar tevens een beslissing dienen te nemen
tot vergoeding van wettelijke rente. Voor de wijze van berekening van
deze rente verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 29 juli 1997,
gepubliceerd in RSV 1997/23.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep
en € 322,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 5 oktober 2001;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw
besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en
hoger beroep tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente
Amsterdam aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het betaalde
griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) L. Jörg.
|
|