|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/5311 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam, bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Rotterdam op 15 augustus 2001 tussen
partijen gewezen uitspraak, nr. NABW 01/234, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 juni 2004, waar voor appellant
niemand is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolaï, werkzaam bij de gemeente
Rotterdam.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden.
Nadat appellant medio 1995 zijn activiteiten in zijn
schoonmaakbedrijf/groothandel "Sunny" in Nederland had
gestaakt is hij met zijn gezin vertrokken naar Pakistan. Bij terugkeer
in Nederland heeft hij zich tot gedaagde gewend met het verzoek om een
uitkering ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Algemene
bijstandswet (Abw) met ingang van 29 juli 1999. Na een kantoorbezoek bij
gedaagde op 11 augustus 1999 is appellant een lijst uitgereikt en is hem
verzocht de op deze lijst vermelde gegevens bij het eerstvolgende
gesprek op 27 augustus 1999 mee te brengen. Nadat gedaagde op deze
afspraak is verschenen zonder in het bezit te zijn van deze stukken
heeft gedaagde appellant bij besluit van 31 augustus 1999 meegedeeld
zijn aanvraag van 29 juli 1999 niet verder te behandelen op grond van
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij besluit van 5 oktober 1999 heeft gedaagde appellant meegedeeld ook
de nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering van appellant van 3
september 1999 niet te behandelen wegens het niet binnen de daarvoor
gestelde termijn overleggen van de door gedaagde gevraagde gegevens.
Nadat tijdens de behandeling van een aanvraag van appellant van 22
oktober 1999 alle benodigde informatie is verkregen om de aanvraag in
behandeling te nemen, is aan appellant bij besluit van 11 november 1999
met ingang van de aanvraagdatum 22 oktober 1999 een bijstandsuitkering
toegekend naar de norm voor een gezin.
Bij besluit van 12 december 2000 heeft gedaagde de tegen de besluiten
van 31 augustus 1999, 5 oktober 1999 en 11 november 1999 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 12
december 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep deze uitspraak gemotiveerd
bestreden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De aanvraag om bijstand van 29 juli 1999
Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan
besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aanvrager niet heeft
voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van
de aanvraag of indien de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de
beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het
bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
Gedaagde heeft appellant verzocht enkele gegevens, zoals
legitimatiebewijzen en bankafschriften, mee te brengen naar de met hem
gemaakte afspraak op 11 augustus 1999. Toen tijdens dit gesprek bleek
dat niet alle benodigde informatie aanwezig was om de aanvraag te kunnen
behandelen, is appellant op die datum een lijst meegegeven met gegevens
die hij op de vervolgafspraak van 27 augustus 1999 moest overleggen.
Toen appellant deze gegevens op 27 augustus 1999 niet kon overleggen is
bij besluit van 31 augustus 1999 besloten de aanvraag van appellant niet
te behandelen.
Naar het oordeel van de Raad zijn de door gedaagde gevraagde gegevens,
zoals bankafschriften van de op naam van appellant staande
bankrekeningen, informatie omtrent de beëindiging van zijn bedrijf en
informatie omtrent de wijze waarop appellant in de jaren voorafgaand aan
zijn bijstandsaanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien, van
belang om te kunnen bepalen of appellant ten tijde hier in geding voor
bijstand in aanmerking kon komen. Voorts is de Raad van oordeel dat
appellant redelijkerwijs in staat moet zijn geweest om over de gevraagde
gegevens te beschikken en deze tijdig te overleggen. Mocht dit laatste
overigens anders zijn geweest dan had het op de weg van appellant
gelegen om gedaagde om verlenging van de hersteltermijn te verzoeken.
De Raad is - gegeven vorenstaande feiten en omstandigheden - van oordeel
dat gedaagde op 31 augustus 1999 terecht heeft kunnen beslissen om de
aanvraag van 29 juli 1999 niet te behandelen nu de wel voorhanden zijnde
gegevens onvoldoende waren om deze aanvraag inhoudelijk te kunnen
beoordelen.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit van 12 december 2000, in zoverre
daarin het bezwaar tegen het besluit van 31 augustus 1999 ongegrond is verklaard in rechte stand houdt en dat de
aangevallen uitspraak voor zover daarin het beroep tegen het besluit 12
december 2000, voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 31
augustus 1999, ongegrond is verklaard dient te worden bevestigd.
De aanvraag om bijstand van 3 september 1999
Naar aanleiding van de aanvraag van appellant van 3 september 1999 is
blijkens de gedingstukken appellant de gelegenheid geboden om de in de
hiervoor genoemde lijst van 11 augustus 1999 genoemde gegevens over te
leggen tijdens een met hem gemaakte afspraak op 15 september 1999.
Appellant heeft dit nagelaten en hem is de gelegenheid geboden deze
gegevens alsnog te overleggen tijdens een met appellante gemaakte
vervolgafspraak op 22 september 1999. Appellante is niet verschenen op
deze afspraak waarbij hem bij brief van 22 september 1999 een
hersteltermijn is geboden van 10 dagen om alsnog een nieuwe afspraak te
maken. Appellant heeft daarop niet gereageerd.
De Raad is - gegeven deze feiten en omstandigheden en onder verwijzing
naar hetgeen hiervoor overwogen is met betrekking tot de relevantie van
de door gedaagde gevraagde gegevens - van oordeel dat gedaagde terecht
heeft kunnen beslissen om ook deze aanvraag niet verder te behandelen.
Het tegen het besluit van 5 oktober 1999 gemaakte bezwaar heeft gedaagde
bij besluit van 12 december 2000 dan ook terecht ongegrond verklaard.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het besluit van 12 december 2000
ook in zoverre in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak ook
in zoverre dient te worden bevestigd.
De ingangsdatum van de op 22 oktober 1999 aangevraagde bijstand
Uit het in artikel 67 van de Abw neergelegde primaire uitgangspunt volgt
dat bijstand op aanvraag wordt verleend en dat derhalve in beginsel geen
bijstand wordt toegekend met terugwerkende kracht. Van dat uitgangspunt
kan worden afgeweken, indien bijzondere omstandigheden dat
rechtvaardigen.
Naar het oordeel van de Raad is van zodanige bijzondere omstandigheden
geen sprake. Uit de gedingstukken blijkt dat pas na 22 oktober 1999 alle
informatie aanwezig was die nodig is om het recht op bijstand vast te
kunnen stellen. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde dan ook in
redelijkheid kunnen beslissen dat er, gelet op het vorenstaande, voor
bijstandsverlening met terugwerkende kracht geen grond bestaat.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit van 12 december 2000 ook in
zoverre in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak waarbij
het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard ook in zoverre dient
te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.M. van Male, in tegenwoordigheid van mr. P.E.
Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2004.
(get.) R.M. van Male.
(get.) P.E. Broekman.
|
|