|
Uitspraak
02/2749 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Harenkarspel,
gedaagde
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Alkmaar, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
een door de rechtbank Alkmaar op 10 april 2002 tussen partijen gewezen
uitspraak, reg.nr. 00/1919 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 15
juni 2004, waar partijen - met bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aan appellante is met ingang van 13 maart 1989 een bijstandsuitkering
toegekend, laatstelijk op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), naar
de norm voor een alleenstaande ouder. Aan appellante is ontheffing
verleend van de in artikel 113, eerste lid, van de Abw bedoelde
arbeidsverplichtingen teneinde haar in staat te stellen de opleiding MBO
Sociale Dienstverlening te volgen. Appellante heeft de MBO-opleiding in
juli 1999 met goed gevolg afgesloten. Vervolgens heeft zij gedaagde bij
brief van 6 augustus 1999, aangevuld bij schrijven van 2 september 1999,
verzocht om toestemming om met behoud van uitkering de 3-jarige studie
HBO Maatschappelijk Werk en Dienstverlening te volgen. Daarbij heeft zij
voorts bijzondere bijstand aangevraagd voor de aan het volgen van die
opleiding verbonden kosten.
Bij brief van 30 september 1999 heeft het Arbeidsbureau aan gedaagde
kennis gegeven van zijn oordeel dat de opleiding HBO Maatschappelijk
Werk en Dienstverlening voor appellante niet als noodzakelijk kan worden
aangemerkt.
Bij besluit van 6 oktober 1999 heeft gedaagde de aanvraag alsmede het
verzoek van appellante afgewezen.
Bij besluit van 7 november 2000 heeft gedaagde het bezwaar van
appellante tegen voormeld besluit ongegrond verklaard. Gedaagde stelt
zich op het standpunt dat de opleiding HBO Maatschappelijk Werk en
Dienstverlening voor appellante niet als een noodzakelijke opleiding kan
worden gezien.
Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen
uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw luidde ten tijde in
geding van belang en voor zover van belang als volgt: "Geen recht
op algemene bijstand heeft degene wiens voor werkzaamheden beschikbare
tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag wordt genomen door of in
verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding, tenzij
het betreft een scholing of opleiding als bedoeld in artikel 113, eerste
lid, onderdeel e (...)."
In artikel 114, eerste lid, van de Abw was ten tijde in geding bepaald
dat voor degene die aan zulk een - noodzakelijk voor de inschakeling in
de arbeid geachte - scholing of opleiding gaat deelnemen de
verplichtingen bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en
c, van de Abw niet gelden; de Minister kan ingevolge het tweede lid van
dit artikel regels stellen met betrekking tot het aanmerken van scholing
of opleidingen als noodzakelijk voor de inschakeling in de arbeid. Deze
regels zijn gesteld in de Regeling noodzakelijke scholing (Besluit van
25 september 1995, Stcrt. 1995, 188: verder te noemen: de Regeling).
Met de rechtbank stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil
is dat de voor appellante beschikbare tijd met ingang van september 1999
voor tenminste 19 uur per week in beslag is genomen door of in verband
met het volgen van de HBO-opleiding Maatschappelijk Werk en
Dienstverlening.
Op grond van artikel 1 van de Regeling kan een opleiding op HBO-niveau
slechts dan noodzakelijk worden geacht wanneer aan de volgende
voorwaarden wordt voldaan:
"a. de opleiding wordt gegeven in een specifiek op werklozen
gericht project;
b. de opleiding is beroepsgericht;
c. de opleiding duurt maximaal twee jaar;
d. de praktijkcomponent maakt niet meer dan de helft van het programma
uit".
Nu de door appellante gevolgde opleiding niet aan de onder a en c van
artikel 1 van de Regeling bedoelde voorwaarden voldoet heeft gedaagde
terecht geweigerd om appellante toestemming te verlenen om deze
opleiding met behoud van uitkering te volgen.
De Raad acht hetgeen appellante naar voren heeft gebracht met betrekking
tot de mening van haar contactpersoon bij het arbeidsbureau en het
advies van de Commissie Bezwaarschriften Sociale Wetgeving niet van een
zodanig gewicht dat daarin reden gevonden zou kunnen worden om te
oordelen dat toepassing van de onderhavige wettelijke voorschriften op
grond van de algemene rechtsbeginselen geen rechtsplicht meer is.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. R.M. van Male en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in
tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 27 juli 2004.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) I.D.Veldman.
|
|