|
Uitspraak
02/5279
NABW en 02/5280 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
appellant,
en
[gedaagde 1] en [gedaagde 2], wonende te [woonplaats], gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Maastricht op 4 oktober 2002
tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/1334 NABW, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Op verzoek van gedaagden is de behandeling van het geding ter zitting
enige malen uitgesteld.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 juni
2004, waar partijen - appellant met voorafgaand bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde [gedaagde 1], geboren in 1942, en gedaagde [gedaagde 2],
geboren in 1951, ontvangen sedert jaren een bijstandsuitkering naar de
toepasselijke norm. Beiden zijn om medische redenen ontheven van de
verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Algemene
bijstandswet (Abw). Gedaagden hebben op 18 april 2001 om bijzondere
bijstand verzocht voor de kosten van diverse duurzame gebruiksgoederen.
Bij besluit van 6 juli 2001 heeft appellant dit verzoek afgewezen. Het
tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit
van 18 september 2001 op grond van onder meer de volgende overwegingen:
"Bijzondere bijstand kan worden verleend in de vorm van een
geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet
(artikel 21, lid 1). In de toelichting hierop is vermeld dat de
aanschaf, vervanging of reparatie van gebruiksgoederen met een duurzaam
karakter tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het
bestaan behoren. Indien men tenminste beschikt over een inkomen op
bijstandsniveau wordt in principe voldoende ruimte in het inkomen
aanwezig geacht om hiervoor te reserveren. Indien men nog niet voldoende
heeft gereserveerd wordt de eventueel te verstrekken bijzondere bijstand
in de vorm van een geldlening verstrekt. Dit nadat is komen vast te
staan dat de benodigde geldlening niet via de normale kredietverlenende
instanties kan worden verkregen.
In de gemeente Maastricht geldt daarnaast het beleid dat in bepaalde
situaties bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen verstrekt
kan worden aan minima die gedurende minimaal drie jaar de zorg voor
minderjarige kinderen hebben en aan personen van 65 jaar en ouder die
gedurende drie jaar een minimaal inkomen hebben.
(...)
U behoort niet tot de doelgroepen zodat de gevraagde bijstand niet op
grond van het specifieke beleid kan worden verleend.
Uw aanvraag dient derhalve aan de hand van de wet zelf te worden
beoordeeld.
Uw inkomen is gelijk aan de voor u van toepassing zijnde bijstandsnorm,
zodat u de betreffende kosten uit eigen middelen kunt opbrengen.
Verder blijkt uit informatie bij de Kredietbank Limburg dat u een lening
zou kunnen oversluiten. U beweert geen lening te kunnen verkrijgen maar
dit heeft u niet aangetoond.
Met de aangevoerde aflossingen/schulden kan geen rekening gehouden
worden.
(...)
Tenslotte wordt overwogen dat schulden in het kader van de Abw niet
gerekend kunnen worden tot de noodzakelijke kosten.
Burgemeester en wethouders kunnen niet tot de conclusie komen dat er
sprake is van bijzondere omstandigheden."
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 18 september 2001
ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, appellant
opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en beslissingen gegeven
inzake proceskosten en griffierecht. Naar haar oordeel heeft appellant
ten onrechte gedaagden niet tot de doelgroepen gerekend van het door
appellant gevoerde beleid met betrekking tot duurzame gebruiksgoederen,
nu het onderscheid naar leeftijd zoals dat in dat beleid wordt gemaakt
ten opzichte van personen van 65 jaar of ouder die gedurende ten minste
drie jaar een minimum inkomen hebben, niet op redelijke en objectieve
gronden berust.
Appellant heeft dit oordeel gemotiveerd bestreden.
De Raad stelt eerst vast dat met het in het besluit van 18 september
2001 vermelde beleid van appellant tot verstrekking van bijstand voor
duurzame gebruiksgoederen aan (onder andere) personen van 65 jaar en
ouder die gedurende drie jaar een minimum inkomen hebben, invulling is
gegeven aan de bevoegdheid tot categoriale bijstandsverlening, die
sedert 1 juli 1997 is opgenomen in artikel 39, tweede lid, van de Abw.
Ingevolge deze bepaling kan, in afwijking van artikel 6, onderdeel b,
van de Abw, bijzondere bijstand ook aan een persoon, behorend tot een
bepaalde categorie, worden verleend, zonder dat behoeft te worden
nagegaan of ten aanzien van die persoon de hierna bedoelde kosten ook
daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van
de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in
bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke
kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de
aanwezige draagkracht te boven gaan.
Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank
terecht heeft geoordeeld dat sprake is van een ongeoorloofd onderscheid
naar leeftijd. Namens appellant is, ook in hoger beroep, aangevoerd dat
het in zijn beleid opgenomen leeftijdscriterium niet in strijd is met
artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld is het ingevolge artikel 1 van de
Grondwet en artikel 26 van het IVBPR niet alleen op de in die artikelen
uitdrukkelijk genoemde gronden, maar op welke grond dan ook, verboden
onderscheid te maken tussen vergelijkbare gevallen, tenzij dit
gerechtvaardigd wordt door objectieve en redelijke gronden.
Appellant heeft met betrekking tot de keuze van de categorie van
personen van 65 jaar en ouder die gedurende ten minste drie jaar een
minimum inkomen hebben, aangevoerd dat deze groep meestal meer kosten
maakt op terreinen die in beginsel uit de (bijstands)uitkering moeten
worden voldaan, zoals kosten van verwarming, kosten in verband met
ziekte en attenties voor kleinkinderen. Dit houdt naar de mening van
appellant in dat er voor deze groep over het algemeen minder ruimte is
om te reserveren voor vervanging van duurzame gebruiksgoederen.
Daarnaast hebben deze personen over het algemeen weinig uitzicht (en
invloed) op verbetering van hun inkomenspositie. Verder zijn de
kredietmogelijkheden gezien hun leeftijd beperkter.
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 juli 2003, onder meer
gepubliceerd in USZ 2003/251 en RSV 2003/243, is de Raad van oordeel dat
de motieven die ten grondslag liggen aan de keuze van appellant om
categoriale bijstand te verstrekken voor duurzame gebruiksgoederen aan
personen van 65 jaar en ouder die gedurende drie jaar een minimum
inkomen hebben, niet uitsluitend voor deze groep gelden. Ook bij jongere
personen die gedurende ten minste drie jaar een minimum inkomen hebben,
valt niet bij voorbaat uit te sluiten dat zij ten gevolge van in of bij
die personen gelegen omstandigheden veroorzaakte hoge kosten van
verwarming en kosten in verband met ziekte, niet of minder in staat zijn
te reserveren voor vervanging van duurzame gebruiksgoederen. Ook
personen die jonger zijn dan 65 jaar en om medische redenen ontheven
zijn van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de
Abw, hebben over het algemeen weinig uitzicht op verbetering van hun
inkomenspositie. Beide groepen verkeren ook met betrekking tot hun
invloed hierop in vergelijkbare omstandigheden.
In de aan dit beleid ten grondslag liggende stukken en in de van de
zijde van appellant daarop gegeven toelichting heeft de Raad geen
argumenten aangetroffen ter rechtvaardiging van het gemaakte onderscheid
naar leeftijd met betrekking tot het aanvragen en verlenen van
bijzondere bijstand in de kosten van duurzame gebruiksgoederen. De Raad
laat dan nog daar dat de bijstandsnorm voor personen van 65 jaar of
ouder gelijk is aan de netto - AOW - uitkering en dus meer bedraagt dan
de norm voor bijstandsgerechtigden jonger dan 65 jaar. Voorts is namens
appellant ter zitting bevestigd dat problemen met het afsluiten van een
lening door personen van 65 jaar en ouder door de gemeente Maastricht
kunnen worden opgelost door middel van de bij de gemeente bestaande
mogelijkheid tot borgstelling bij de desbetreffende kredietinstelling.
Het voorgaande in aanmerking genomen kan niet worden gezegd dat, indien
de aanvrager niet behoort tot de groep van personen van 65 jaar en ouder
die gedurende ten minste drie jaar een minimum inkomen hebben, doch
jonger is dan 65 jaar en in vergelijkbare omstandigheden verkeert, het gemaakte
onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd wordt door objectieve en
redelijke gronden. Anders dan namens appellant is betoogd, houdt dit
naar het oordeel van de Raad overigens niet in dat een ieder met een
meerjarig minimuminkomen zonder meer voor bijzondere bijstand voor
duurzame gebruiksgoederen in aanmerking dient te worden gebracht.
Het in het beleid gemaakte onderscheid naar leeftijd dient daarom ook
naar het oordeel van de Raad, te meer nu appellant de gronden voor dit
specifieke onderscheid ontoereikend heeft onderbouwd, in het geval van
gedaagden wegens strijd met artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van
het IVBPR buiten toepassing te worden gelaten. Het daarop gebaseerde
besluit van 18 september 2001 kan derhalve geen stand houden.
Gelet hierop heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht dat
besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op
het bezwaar van gedaagden tegen het besluit van 6 juli 2001. De
aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van de gemeente Maastricht een recht van € 348,-- wordt
geheven.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|