|
Uitspraak
01/5082
NABW en 01/5083 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie
van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de
Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente ’s-Gravenhage ingetrokken.
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie
Sociale Zekerheid van de gemeente ’s-Gravenhage.
Namens appellanten heeft mr. J.L. Plokker, advocaat te ’s-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank
’s-Gravenhage van 15 augustus 2001, reg.nrs. 00/6125 ABW en 00/3825
ABW.
Namens gedaagde is in beide zaken een verweerschrift ingezonden.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 20 juli 2004, waar
appellanten en hun gemachtigde - zoals bericht - niet zijn verschenen en
waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink,
werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.
II. MOTIVERING
Aan appellanten is over de periode van 12 juli 1995 tot 31 december 1998
bijstand verleend; van 12 juli 1995 tot 1 februari 1997 op grond van de
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) naar de norm voor een
gezin en van 1 februari 1997 tot 31 december 1998 op grond van de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Omdat uit
gegevens van de Belastingdienst gebleken was dat appellant in 1995
tevens - voor gedaagde verzwegen - inkomsten uit arbeid had genoten,
heeft gedaagde nadere informatie ingewonnen bij de werkgever. Namens
deze werkgever, [werkgever] te [vestigingsplaats], is verklaard dat
appellant voor haar gewerkt heeft van 18 september 1995 tot en met 25
februari 1996 en dat aan appellant over de in 1995 gelegen perioden aan
loon f 4.200,-- is uitbetaald.
Gedaagde heeft in de verkregen gegevens aanleiding gevonden om het recht
op uitkering van appellanten over de periode van 18 september 1995 tot
en met 31 december 1995 te herzien en de over deze periode gemaakte
kosten van bijstand ten bedrage van f 6.894,30 van appellanten terug te
vorderen. Van het desbetreffende besluit is aan appellanten afzonderlijk
bij brieven van 16 april 1999 kennis gegeven.
Bij besluiten van respectievelijk 3 maart 2000 en 4 mei 2000 heeft
gedaagde het daartegen gemaakte bezwaar van appellante en appellant
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraken zijn de beroepen tegen de besluiten van 3
maart 2000 en 4 mei 2000 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze
uitspraken gekeerd. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd komt neer op
een herhaling van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht.
Appellanten hebben benadrukt dat niet appellant, maar een ander op het
sofi-nummer van appellant heeft gewerkt, dat de verklaring van
[manager], manager bij [werkgever], onbetrouwbaar is en dat [werknemer],
werkzaam bij de inlenende firma [naam firma], heeft verklaard dat
appellant in de in geding zijnde periode in ieder geval een aantal weken
niet heeft gewerkt. Voorts hebben appellanten erop gewezen dat zij in de
strafzaak zijn vrijgesproken.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt eerst ambtshalve vast dat uit het processen-verbaal van de
rechtbank blijkt dat de behandeling ter zitting van de rechtbank op 1
maart 2001 is geschorst om de gemachtigde van appellanten in de
gelegenheid te stellen het strafdossier van appellanten in kopie over te
leggen waarna de behandeling ter zitting zou worden hervat. Vervolgens
zijn namens appellanten stukken uit het strafrechtelijk dossier
ingezonden, waarop door gedaagde een schriftelijke reactie is gegeven,
met het verzoek om bericht over de nadere zittingsdatum. Uit de stukken
blijkt niet dat de behandeling van het geding ter zitting van de
rechtbank nadien is hervat. Mr. Plokker heeft de rechtbank meegedeeld
dat wat hem betreft een tweede zitting achterwege kan blijven. De
gemachtigde van gedaagde heeft desgevraagd ter zitting van de Raad
bevestigd dat gedaagde geen toestemming heeft gegeven om de zaken verder
buiten zitting af te doen.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad staat het de bestuursrechter niet
vrij om, in geval de behandeling ter zitting is geschorst en er nieuwe
stukken aan het dossier worden toegevoegd, het houden van een nadere
zitting achterwege te laten indien beide partijen daarvoor niet, na
kennis te hebben genomen van de aan het dossier toegevoegde stukken,
overeenkomstig artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) toestemming hebben gegeven.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraken in strijd met
artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb tot stand zijn gekomen, zodat deze
dienen te worden vernietigd.
De Raad acht het, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter
zitting, niet noodzakelijk de zaken ter verdere behandeling terug te
wijzen naar de rechtbank en zal, zelf rechtdoende, beslissen op de
beroepen.
De Raad stelt eerst vast dat gedaagde het recht van appellanten op
bijstand over de periode van 18 september 1995 tot en met 31 december
1995 heeft herzien op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder
a, van de Abw, zoals deze bepaling sinds 1 juli 1997 luidt. Dit is niet
juist nu deze herziening ziet op het recht op bijstand over een geheel vóór
1 juli 1997 gelegen periode. De besluiten van 3 maart 2000 en 4 mei 2000
komen dan ook in zoverre wegens strijd met de wet voor vernietiging in
aanmerking.
De Raad ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of er termen zijn
om de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van deze besluiten in
stand te laten. De Raad beantwoordt die vraag op grond van het volgende
bevestigend.
Ingevolge artikel 9 van het Bijstandsbesluit landelijke normering
worden, voorzover hier van belang, alle inkomsten ten volle op de
uitkeringen in mindering gebracht, ongeacht door wie van de in de
bijstand begrepen gezinsleden deze worden genoten.
Naar ’s Raads oordeel heeft gedaagde genoegzaam aangetoond dat
appellant in de in geding zijnde periode werkzaamheden heeft verricht
in dienst van en inkomsten heeft ontvangen van [werkgever], welke feiten
appellanten naar gedaagde toe hebben verzwegen. De Raad acht zich
dienaangaande voldoende voorgelicht door de uit de administratie van de
Belastingdienst blijkende gegevens. Hij heeft daarbij in aanmerking
genomen dat deze gegevens bevestiging vinden in de schriftelijke
verklaring die namens deze vennootschap aan gedaagde is toegezonden in
reactie op het verzoek van gedaagde om informatie te verstrekken
aangaande de werkzaamheden en inkomsten van appellant. Voorts is in
aanmerking genomen dat appellanten niets hebben ondernomen om het
gestelde misbruik van het sofi-nummer van appellant aan te tonen.
Appellanten hebben de Belastingdienst niet gewezen op de gestelde
onjuistheid van de op naam van appellant geregistreerde inkomsten en bij
de politie en/of het Openbaar Ministerie geen aangifte gedaan van
valsheid in geschrifte. In het licht hiervan leidt de stelling van
appellanten dat [werkgever] er geen belang bij heeft om de onjuistheid
van haar administratie te erkennen niet tot een ander oordeel. Hetzelfde
geldt voor de verklaring die [werknemer], werkzaam bij de firma [naam
firma], in de strafrechtelijke procedure heeft afgelegd, nu daaruit niet
kan worden afgeleid dat appellant in de in geding zijnde periode niet
voor deze inlener heeft gewerkt. De omstandigheid dat de strafrechter
appellanten heeft vrijgesproken brengt de Raad evenmin tot een ander
oordeel aangezien uit ’s Raads vaste rechtspraak volgt dat de
bestuursrechter in de vaststelling van de feiten en het oordeel over het
hem voorgelegde geschil in het algemeen niet is gebonden aan hetgeen in
een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld,
te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag
voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.
Uit het voorgaande volgt dat de Rww-uitkering van appellanten over de
periode in geding terecht is herzien.
Met hetgeen hiervoor is overwogen is tevens gegeven dat met betrekking
tot de in geding zijnde periode de verplichting bedoeld in artikel 30,
tweede lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW) niet is nagekomen en dat
is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel
57, aanhef en onder d, van de ABW. De Raad ziet geen dringende reden als
bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW op grond waarvan gedaagde
bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Hieruit volgt dat de beroepen tegen de besluiten van 3 maart 2000 en van
4 mei 2000 voorzover het de terugvordering betreft niet slagen.
De Raad ziet gezien het vorenstaande aanleiding om gedaagde te
veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellanten. Deze
kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger
beroep, wegens verleende rechtsbijstand. Daarbij heeft de Raad deze
zaken beschouwd als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het
Besluit proceskosten bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de beroepen gegrond;
Vernietigt de besluiten van 3 maart 2000 en van 4 mei 2000 voorzover
deze betreffen de herziening van het recht van appellanten op bijstand;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de in zoverre vernietigde besluiten in
stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag
van € 966,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de
griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant en aan appellante
het betaalde griffierecht van telkens in totaal € 104,37 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M.
van Male en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus
2004.
(get.) G.A.J van den Hurk.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|