|
Uitspraak
02/1624
NABW en 02/1628 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, verbonden aan het Buro voor
Rechtshulp te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van
de rechtbank Leeuwarden van 31 januari 2002, reg.nrs. 01/381 en 01/964
ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad
nadere inlichtingen verstrekt.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 29
juni 2004, waar partijen - gedaagde met bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Gedaagde ontving sedert 1988 een bijstandsuitkering, laatstelijk
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een
alleenstaande.
Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst dat appellante
sedert 7 februari 2000 in het bezit is van een recreatiewoning, heeft de
Sociale Recherche Regio Friesland-Noord een onderzoek ingesteld naar de
rechtmatigheid van de aan appellante toegekende uitkering. In het kader
van dat onderzoek is dossieronderzoek verricht, is gebruik gemaakt van
de rapportage van de Belastingdienst en zijn appellante en twee getuigen
gehoord.
Op grond van de resultaten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen
zijn neergelegd in een rapport van 3 januari 2001, heeft gedaagde
geconcludeerd dat appellante op 7 februari 2000 eigenaar is geworden van
de aan de [adres] te [staanplaats] gelegen recreatiewoning, waarmee zij
beschikt over een vermogen dat hoger is dan de grens van het in haar
geval vrij te laten vermogen. Gedaagde heeft daarin aanleiding gezien om
bij besluit van 2 januari 2001 de uitkering van appellante te beëindigen
- naar de Raad begrijpt per 1 januari 2001 - , het recht op uitkering
over de periode van 7 februari 2000 tot 1 januari 2001 te herzien (lees:
in te trekken) en de kosten van de over die periode aan appellante
betaalde bijstand tot een bedrag van f 23.339,65 van haar terug te
vorderen.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 maart 2001
ongegrond verklaard.
Op 25 april 2001 heeft appellante bij gedaagde een nieuwe aanvraag voor
een Abw-uitkering ingediend. Bij brief van 3 mei 2001 heeft gedaagde
appellante uitgenodigd voor een gesprek over deze aanvraag en haar
verzocht bij die gelegenheid gegevens mee te nemen, waaronder -
samengevat - alle gegevens met betrekking tot de hiervoor bedoelde
recreatiewoning. Appellante heeft vervolgens een aantal gegevens
verstrekt. Daaruit bleek onder meer dat de woning op 28 februari 2001
voor f 100.000,-- was verkocht.
Bij brief van 2 juli 2001 heeft gedaagde appellante meegedeeld dat
onvoldoende gegevens voorhanden zijn om de bijstandsaanvraag af te
handelen en is vervolgens de termijn van afhandeling van de aanvraag
opgeschort. Appellant is daarbij in de gelegenheid gesteld om uiterlijk
11 juli 2001 aan te tonen, ondersteund met stukken, dat geen sprake meer
is van vermogen en daarbij aan te geven op welke wijze het geld dat is
vrijgekomen door de verkoop van de woning is besteed. Appellante heeft
bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 juli 2001 en geen nadere
gegevens verstrekt.
Gedaagde heeft op 12 juli 2001 besloten - voorzover thans van belang -
de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) buiten behandeling te laten. Ook tegen dat besluit
heeft appellante bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 22 oktober 2001 heeft gedaagde de bezwaren tegen de
besluiten van 2 juli 2001 en 12 juli 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten
van 23 maart 2001 en van 22 oktober 2001 ingestelde beroepen ongegrond
verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De beëindiging, de intrekking en de terugvordering
Niet in geschil is dat appellante gedurende de gehele in geding zijnde
periode van 7 februari 2000 tot 1 januari 2001 en ook nog op 1 januari
2001 eigenaar was van de woning aan de [adres] te [staanplaats].
In artikel 51 en volgende van de Abw is neergelegd wat onder vermogen
wordt verstaan en welke vermogensbestanddelen, die bij de aanvang van de
bijstandsverlening aanwezig zijn dan wel tijdens de bijstandsverlening
worden ontvangen, als vermogen in aanmerking worden genomen. Het gaat
hier om de waarde van de bezittingen waarover de betrokkene beschikt dan
wel redelijkerwijs kan beschikken.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen moet, mede gelet op artikel 7 van
de Abw, de term beschikken zo worden uitgelegd, dat deze ziet op de
mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk te kunnen
aanwenden teneinde in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 januari 1999, onder meer
gepubliceerd in RSV 1999/96). Met betrekking tot het destijds in de
woning [adres] te [staanplaats] gebonden vermogen betekent dit, dat die
woning kan worden beschouwd als een in aanmerking te nemen bezitting
waarover appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, indien
vaststaat dan wel redelijkerwijs aannemelijk is dat appellante die
woning op 7 februari 2000 en in de gehele daarop volgende periode tot en
met 1 januari 2001 had kunnen verkopen.
Naar het oordeel van de Raad doet die situatie zich hier voor. Hierbij
is onder meer van belang geacht dat van enige beperking van de
beschikkingsmacht van appellante met betrekking tot de in geding zijnde
woning niet is gebleken. Voorts is in aanmerking genomen dat de woning
is aangekocht voor een prijs (f 30.000,--) die ver onder de werkelijke
waarde van de woning lag. Uit de gedingstukken blijkt immers dat de
WOZ-waarde van de woning in het jaar van aankoop lag op f 59.000,-- ,
dat de woning in het kader van de vaststelling van het bedrag van de
overdrachtsbelasting door een vanwege de Belastingdienst ingeschakelde
taxateur naar de peildatum van 7 februari 2000 is getaxeerd op een
waarde van f 110.000,-- en dat de verkoopprijs van de woning op 28
februari 2001 f 100.000,-- bedroeg.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat er op 7 februari 2000
dan wel in de periode daarna geen enkele belemmering was voor appellante
om de woning direct te gelde te maken en tevens dat een verkoopprijs zou
kunnen worden gerealiseerd die hoe dan ook ruim boven het door
appellante betaalde aankoopbedrag zou zijn gelegen. Een en ander blijkt
overigens ook uit het feit dat de woning, kort nadat begin 2001 deze te
koop was aangeboden, is verkocht voor een bedrag van f 100.000,--.
Vervolgens had appellante de vrijkomende gelden kunnen aanwenden voor de
voorziening in haar bestaanskosten.
Gezien de taxatie door de Belastingdienst en de gerealiseerde
verkoopprijs, gaat de Raad uit van een bezitting ter waarde van
omstreeks f 100.000,--.
Daarmee beschikte appellante gedurende de gehele periode in geding over
een vermogen dat de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel
54 van de Abw (destijds f 10.300,--) ruimschoots te boven ging.
De Raad laat in het midden of sprake is van in aanmerking te nemen
schulden van appellante bij haar kinderen. Ook indien het totaalbedrag
van de schulden, waaromtrent is gesteld dat deze zijn ontstaan ter
gelegenheid van de aankoop van de recreatiewoning, op het vermogen in
mindering zou worden gebracht, is immers nog sprake van een vermogen dat
in ruime mate ligt boven het vrij te laten vermogen. Andere op het
positieve vermogen in mindering te brengen schulden zijn niet gebleken.
Het vermogen stond derhalve in de periode van 7 februari 2000 tot 1
januari 2001 en ook nog op 1 januari 2001 in de weg aan
bijstandsverlening.
Appellante heeft van de eigendom van de woning [adres] te [staanplaats]
geen mededeling aan gedaagde gedaan, zodat zij de ingevolge artikel 65,
eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenplicht heeft
geschonden. Als gevolg daarvan heeft zij ten onrechte een
bijstandsuitkering ontvangen.
Gedaagde heeft die uitkering derhalve terecht beëindigd. Tevens was
gedaagde op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de
Abw gehouden om over de periode van 7 februari 2000 tot 1 januari 2001
tot intrekking van het recht van appellante op uitkering over te gaan.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw
op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van
intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden
voor terugvordering met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de
Abw. De Raad ziet geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78,
derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om
geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
In zoverre slaagt het beroep niet.
De afwijzing van de nieuwe aanvraag
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde de nieuwe aanvraag
van appellante om bijstand terecht met toepassing van artikel 4:5 van de
Abw buiten behandeling heeft gelaten. Hij onderschrijft in grote lijnen
de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben gebracht. De
Raad voegt hieraan nog toe dat appellante met name aan gedaagde had
behoren op te geven naar welke rekening(en) de notaris het door
appellante vanwege de verkoop van de woning [adres] te [staanplaats] te
ontvangen saldo, zoals voorkomend op de nota van afrekening van de
notaris van 28 februari 2001, heeft gestort. Pas in de fase van het
beroep bij de rechtbank, derhalve zonder meer te laat, heeft appellante
een rekeningafschrift van een van haar kinderen waarop dat saldo
voorkomt overgelegd.
Ook in zoverre slaagt het beroep derhalve niet.
Slotoverwegingen
Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 september
2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|