|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4328 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I.ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam van 11 juli 2002, reg.nr. 01/4359 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 september 2004, waar
appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante, geboren in 1911, heeft op 6 december 1999 verzocht om
bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten die zij moet maken in
verband met haar verhuizing naar een appartement in een
verzorgingstehuis. Bij besluit van 22 februari 2000 heeft gedaagde deze
aanvraag wat betreft de kosten van stoffering afgewezen op de grond dat
appellante een lening kan aanvragen bij Crediam.
Bij besluit van 8 september 2000, voorzover van belang, heeft gedaagde
het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2000 ongegrond verklaard
op de grond dat appellante de kosten van woninginrichting kan voldoen
uit het vermogen waarover zij ten tijde van de aanvraag beschikte, te
weten een bedrag van f 9.691,80.
Bij uitspraak van 11 juni 2001 heeft de rechtbank - met bepaling omtrent
het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 8 september 2000
gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, en gedaagde opgedragen een
nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
De rechtbank is van oordeel dat gedaagde bij de beoordeling van de
aanvraag van appellante om bijzondere bijstand in de kosten van
woninginrichting ten onrechte rekening heeft gehouden met het bescheiden
vermogen van appellante, dat deze aanvraag ten onrechte op die grond is
afgewezen en dat het bestreden besluit in strijd is met de wet.
Bij uitspraak van 11 september 2001 heeft de president van de Raad de
uitspraak van 11 juni 2001 bevestigd.
Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 22 februari 2000 deels gegrond verklaard en dit besluit herzien in die
zin dat aan appellante bijstand wordt verleend voor de kosten van
woninginrichting tot een bedrag van f 5.267,60 in de vorm van een
geldlening.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepaling omtrent
het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2001
gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een
nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
De rechtbank is van oordeel dat gedaagde in strijd met het door hem
gehanteerde beleid zonder nadere motivering aan appellante de
onderhavige bijstand in de vorm van een geldlening heeft verleend.
Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 22 februari 2000 gegrond verklaard en het besluit van 30
oktober 2001 herzien in die zin dat aan appellante bijstand wordt
verleend voor de kosten van woninginrichting tot een bedrag van f
5.267,60 in de vorm van een gift.
Gelet hierop en op de door appellante gegeven reactie op dit gewijzigde
standpunt is de Raad van oordeel dat gedaagde volledig tegemoet is
gekomen aan het hoger beroep.
Hierbij merkt de Raad nog op dat de grieven van appellante met name nog
zien op zaken, die geen onderdeel uitmaken van het in geding zijnde
besluit.
Nu de Raad niet is gebleken dat appellante een procesbelang heeft bij de
beslissing omtrent het hoger beroep, wordt appellante in haar hoger
beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr.
I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober
2004.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) I.D. Veldman.
|
|