|
Uitspraak
02/841
NABW en 02/1007 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats 1], appellante, en [appellant],
wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Sittard-Geleen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellante heeft mr. J.F.C. Eliëns, advocaat te Geleen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4
januari 2002, reg.nr. 00/1568 NABW.
Namens appellant heeft mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen, advocaat te
Roermond, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Maastricht van 4 januari 2002, reg.nr. 00/1629 NABW.
Gedaagde heeft in beide zaken verweer gevoerd.
Bij brief van 28 juli 2004 is namens appellante aan de Raad meegedeeld
dat appellante als getuige wenst te doen horen haar zoon, geboren op 21
oktober 1991.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 31 augustus 2004,
waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Eliëns
en mr. Ter Meulen-Mouwen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. P. Hellenbrand, werkzaam bij de gemeente
Sittard-Geleen.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst voorafgaand aan de
behandeling van de zaken ten gronde teneinde het verzoek om
getuigenverhoor te beoordelen en heeft na mondelinge mededeling van de
beslissing terzake het onderzoek ter zitting weer heropend.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellante ontving sinds 1 april 1992 een bijstandsuitkering,
laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor
een alleenstaande ouder.
Naar aanleiding van fraudemeldingen heeft de sociale recherche van de
gemeente Geleen onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan
appellante verstrekte bijstand. Op basis van de uitkomsten van dat
onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 28
juni 2000, heeft gedaagde bij besluit van 7 juli 2000 het recht op
bijstand van appellante over de periode van 1 december 1998 tot en met
31 maart 2000 herzien (lees: ingetrokken) en de uitkering per 1 april
2000 beëindigd op de grond dat appellante vanaf 1 december 1998 met
appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, waarvan zij in
strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht geen opgave aan
gedaagde heeft gedaan. Gedaagde heeft daarbij in aanmerking genomen dat
er, gelet op het inkomen van appellant, in de hiervoor genoemde periode
voldoende middelen aanwezig waren om in de noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien. Bij hetzelfde besluit zijn de over voormelde
periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van fl. 39.656,28
van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van eveneens 7 juli 2000 heeft gedaagde voornoemd bedrag op
basis van artikel 84, tweede en derde lid, van de Abw mede van appellant
teruggevorderd.
Bij besluiten van 7 en 14 november 2000 heeft gedaagde het tegen de
besluiten van 7 juli 2000 door appellante respectievelijk appellant gemaakte bezwaar
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de door appellanten
ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze
uitspraken gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
Allereerst heeft de Raad met toepassing van artikel 8:63, tweede lid,
van de Algemene wet bestuursrecht besloten af te zien van het horen van
de zoon van appellanten als getuige.
Daarbij heeft de Raad in het bijzonder en in onderling verband laten
wegen de aard van het geschil, de leeftijd van de zoon ten tijde van de
periode waarover hij zou dienen te verklaren (7-9 jaar) en diens
leeftijd ten tijde van de zitting (12 jaar) alsmede de daarmee
samenhangende, sterk afhankelijke positie van degenen over wie hij zou
moeten verklaren. In het licht van die omstandigheden en de reeds in het
procesdossier aanwezige gegevens kan het horen van de zoon van
appellanten als getuige naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs niet
bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
Ten gronde komt de Raad tot de volgende beoordeling.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of appellanten in de periode in
geding al dan niet een gezamenlijke huishouding in de zin van de Abw
hebben gevoerd. Vaststaat dat appellanten eerder voor de verlening van
bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, en dat uit hun relatie een kind
is geboren dat door appellant is erkend. Ingevolge artikel 3, vierde
lid, aanhef en onder a en b, van de Abw wordt onder deze omstandigheden
een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht indien appellanten hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Daarbij is het motief van
betrokkenen niet van belang.
Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de gegevens
van het door de sociale recherche verrichte onderzoek, genoegzaam naar
voren is gekomen dat daarvan ten tijde in geding sprake was. De Raad
kent daarbij in het bijzonder betekenis toe aan de door appellante op 12
april 2000 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring,
inhoudende dat appellant bij haar verbleef uit een oogpunt van
veiligheid, vanwege een conflict met de onderburen, en om voor hun zoon
het gezinsbeeld in stand te laten.
Appellante is in een later stadium teruggekomen op haar ten overstaan
van de sociale recherche afgelegde verklaring en heeft aangevoerd dat
deze verklaring niet kan bijdragen aan het bewijs omdat de verklaring
niet juist is geweest als gevolg van medicijngebruik. Daarbij is namens
appellante een afschrift overgelegd van notities van de huisarts gemaakt
naar aanleiding van een spreekuurbezoek.
De Raad vindt noch in de notities van de huisarts, noch in hetgeen
hierover overigens namens appellante naar voren is gebracht,
aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de verklaring van appellante
tegenover de sociale recherche onder invloed van haar medicatie een
onjuiste weergave van de feiten zou bevatten. De huisarts van appellante
onderkent weliswaar (deels situatieve) angstproblematiek en maakt
melding van hiermee samenhangend chronisch gebruik van medicijnen, maar
dat dwingt niet tot de conclusie dat appellante niet in staat was te
verklaren over hetgeen zich in haar dagelijkse leven afspeelt. De door
haar afgelegde verklaring is voorts gedetailleerd en consistent, en
hetgeen door appellante is verklaard wordt (op onderdelen) bovendien
bevestigd door observaties, door de omstandigheden waaronder appellanten
tijdens het huisbezoek op 12 april 2000 zijn aangetroffen en door
verklaringen van derden. De Raad ziet gelet hierop dan ook geen
aanleiding om, zoals namens appellante is verzocht, een deskundige op te
dragen nader onderzoek te doen naar de invloed van de medicatie op de
tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring.
Gezien het voorgaande kon appellante met ingang van 1 december 1998 niet
meer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstandsverlening,
zodat zij geen recht meer had op een uitkering naar de norm voor een
alleenstaande ouder.
Nu appellante geen mededeling aan gedaagde heeft gedaan van het feit dat
zij met appellant (opnieuw) een gezamenlijke huishouding voerde, heeft
zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg
daarvan is aan appellante over de in geding zijnde periode ten onrechte
bijstand verleend, zodat gedaagde op grond van artikel 69, derde lid,
aanhef en onder a, van de Abw gehouden was tot intrekking van het recht
op bijstand over te gaan. De Raad is daarbij niet gebleken van dringende
redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond
waarvan geheel of gedeeltelijk van intrekking zou kunnen worden
afgezien.
Met het voorgaande is gegeven dat tevens is voldaan aan de voorwaarden
voor terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. De
Raad ziet in de omstandigheden van appellante geen dringende redenen als
bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde
bevoegd was om van terugvordering af te zien.
De medeterugvordering van appellant
Ingevolge artikel 84, tweede lid, van de Abw worden, indien de bijstand
als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is
gebleven omdat de belanghebbende zijn inlichtingenplicht niet of niet
behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand
mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening
van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die
persoon is, is vereist dat appellant in de in geding zijnde periode met
appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Uit hetgeen
hiervoor ten aanzien van appellante is overwogen blijkt dat de Raad van
oordeel is dat dit het geval is. In hetgeen appellant hieromtrent heeft
aangevoerd ziet de Raad geen reden om tot een ander oordeel te komen.
Anders dan appellant, ziet de Raad in het onderzoeksrapport geen
aanknopingspunt voor het oordeel dat de verklaring van appellante onder
ontoelaatbare druk tot stand is gekomen. De grief van appellant tegen de
hantering in dit geval van het uit artikel 3, vierde lid, van de Abw
voortvloeiende - zogenoemde - onweerlegbare rechtsvermoeden slaagt niet.
De Raad verwijst naar zijn vaste rechtspraak op dit punt, onder meer
blijkende uit de uitspraak van 29 januari 2002 (USZ 2002/94), alsmede
naar het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004, gepubliceerd in ondermeer RSV 2004/127.
Nu voorts vaststaat dat verlening van gezinsbijstand - niettemin -
achterwege is gebleven omdat appellante de op haar rustende
inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is gegeven dat ten aanzien
van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 84, tweede lid,
van de Abw. Gedaagde was derhalve gehouden de over dit tijdvak ten
onrechte ten aanzien van appellante gemaakte kosten van bijstand mede
van appellant terug te vorderen.
De Raad ziet in de omstandigheden van appellant geen dringende redenen
als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan
gedaagde de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van
medeterugvordering af te zien.
De aangevallen uitspraken komen derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet tenslotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. H.J de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober
2004.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) S.W.H. Peeters.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Abw kan
een partij beroep in cassatie instellen ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding volgens de wet. Het beroep in cassatie wordt ingesteld door
binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde
verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der
Nederlanden) te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002,
3500 DA Utrecht.
|
|