|
Uitspraak
02/3137
NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie
van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de
Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.
Namens appellant heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te
’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank ’s-Gravenhage van 26 april 2002, reg.nr. 01/2404 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 02/6406 NABW,
behandeld ter zitting van 21 september 2004, waar voor appellant is
verschenen mr. Schenkhuizen, en waar gedaagde zich - met voorafgaand
bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het
onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze
zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving laatstelijk ter aanvulling op zijn uitkering ingevolge
de Algemene Ouderdomswet een uitkering ingevolgde de Algemene
bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. In verband met
het bij gedaagde gerezen vermoeden dat appellant niet woonachtig was op
het door hem opgegeven adres, heeft gedaagde een onderzoek ingesteld
naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het
kader van dat onderzoek is een huisbezoek afgelegd op het adres [adres]
te [woonplaats] en is een drietal getuigen en appellant gehoord. De
bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17
oktober 2000.
Gedaagde heeft daarin aanleiding gevonden bij besluit van 19 oktober
2000 het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 juli 1999 te
herzien (lees: in te trekken), de bijstandsuitkering met ingang van 1
oktober 2000 te beëindigen en de gemaakte kosten van bijstand over de
periode van 1 juli 1999 tot en met 30 september 2000 tot een bedrag van
f 10.213,68 van hem terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit van
dezelfde datum heeft gedaagde aan appellant een boete opgelegd van f
1.550,--.
Op 13 november 2000 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijstand
ingediend. Bij besluit van 22 november 2000 heeft gedaagde deze aanvraag
afgewezen.
Bij besluit van 18 mei 2001 heeft gedaagde de bezwaren tegen de
besluiten van 19 oktober 2000 en 22 november 2000 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 23 juli 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 19 oktober 2000 voorzover gericht tegen de opgelegde boete
alsnog gegrond verklaard, en de boete nader vastgesteld op f 1.025,--.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep met
betrekking tot de boete van f 1.550,-- niet-ontvankelijk verklaard en
het beroep voorzover gericht tegen de besluiten van 18 mei 2001 en 23
juli 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd, voorzover daarbij het beroep tegen de besluiten van 18 mei 2001
en 23 juli 2001 ongegrond is verklaard.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De beëindiging, de intrekking en de terugvordering
Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant vanaf 1 juli
1999 niet daadwerkelijk woonachtig is geweest op het door hem opgegeven
adres [adres] te [woonplaats], en dat appellant door onjuiste informatie
hierover te verschaffen de in artikel 65, eerste lid, van de Abw
neergelegde inlichtingenplicht heeft geschonden, waardoor vanaf die
datum het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daarbij heeft
appellant zich onder meer gebaseerd op de bevindingen van een door de
afdeling Bijzonder onderzoek verricht onderzoek naar de feitelijke
woonsituatie van appellant.
De Raad is van oordeel dat op grond van die gegevens genoegzaam is komen
vast te staan dat appellant, anders dan hij aan gedaagde heeft
opgegeven, vanaf 21 maart 2000 niet daadwerkelijk woonachtig is geweest
op het adres [adres]. De Raad wijst er in dit verband op dat uit de
huisbezoeken die vanwege gedaagde op 21 september 2000 en 13 oktober
2000 op het adres [adres] zijn afgelegd blijkt dat appellant daar toen
niet woonachtig was. Verder acht de Raad met betrekking tot de datum 21
maart 2000 van belang de op 21 september 2000 tegenover de
opsporingsbeambte afgelegde verklaring van [naam huurder 1], die stelt
op genoemd adres langer dan 6 maanden te wonen in een kamer waarvan
appellant tijdens het huisbezoek op 13 oktober 2000 heeft gezegd dat het
zijn kamer is. Aan het vorenstaande doet niet af het op 29 september
1999 door appellant ondertekende en op 1 januari 2000 ingaande
huurcontract voor een kamer aan de [adres], nu appellant geen
verifieerbare bewijsstukken van huurbetalingen over die periode heeft
overgelegd.
Niet is gebleken dat de situatie van appellant - voorzover hier van
belang - per 1 oktober 2000 in relevante mate anders was.
Daarentegen acht de Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellant
ook reeds vóór 21 maart 2000 niet op het adres [adres] woonachtig was.
De enkele verklaring van [naam huurder 2] dat hij al een jaar en drie
maanden op dit adres woont en dat zolang hij er woont alleen zwarte
Afrikanen op dit adres wonen, is in dat verband niet toereikend.
De Raad is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat gedaagde zich wat
betreft de periode van 21 maart 2000 tot en met 30 september 2000 terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant
de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat ten gevolge van die
schending niet meer is vast te stellen of in die periode recht op
bijstand bestond. Het besluit van 18 mei 2001 dient daarom vernietigd te
worden voorzover dat ziet op de intrekking over de periode van 1 juli
1999 tot 21 maart 2000.
Van dringende redenen, bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, is
de Raad niet gebleken, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om
over de periode van 21 maart 2000 tot en met 30 september 2000 van
intrekking af te zien.
Met hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het intrekkingsbesluit
is tevens gegeven dat het besluit om tot terugvordering van appellant
over te gaan van de aan hem verleende bijstand, tot een bedrag van f
10.213,68, geen stand kan houden, omdat daartoe ten aanzien van de
periode van 1 juli 1999 tot 21 maart 2000 een wettelijke basis
ontbreekt.
Het besluit van 18 mei 2001 dient voorzover het ziet op de
terugvordering geheel te worden vernietigd. Een terug- vorderingsbesluit
moet immers als één geheel worden beschouwd, nu dit uitmondt in één
- daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand en nu een
dergelijk besluit bovendien een executoriale titel oplevert.
Gedaagde zal met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak
heeft overwogen, een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen voorzover het
de terugvordering betreft.
Uit het voorgaande volgt voorts dat de uitkering van appellant terecht
met ingang van 1 oktober 2000 is beëindigd.
De boete
Gelet op artikel 2, aanhef en onder a, van het Inwerkingtredingsbesluit
Wet werk en bijstand en Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb. 2003,
386) in combinatie met het gegeven dat de in artikel 2, eerste lid, van
de Invoeringsregeling Wwb
(Stcrt. 2003, 203) bedoelde verordeningen nog niet tot stand zijn
gekomen, stelt de Raad vast dat ter zake van het niet nakomen van de in
artikel 65, eerste lid, van de Abw opgenomen inlichtingenverplichting in
de gemeente ’s-Gravenhage thans onder meer artikel 14a van de Abw nog
van kracht is.
Uit hetgeen hierboven ten aanzien van de intrekking is overwogen vloeit
voort dat appellant vanaf 21 maart 2000 zijn inlichtingenverplichting
niet of niet behoorlijk is nagekomen. De Raad ziet geen grond voor het
oordeel dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging van
appellant ontbreekt en dat gedaagde daarom toepassing had moeten geven
aan artikel 14a, tweede lid, tweede volzin, van de Abw. Op grond van
artikel 14a, eerste lid, van de Abw is gedaagde dan ook in beginsel
gehouden appellant een boete op te leggen.
De Raad is evenwel van oordeel dat het ten aanzien van appellant genomen
besluit van 23 juli 2001, wat de hoogte van de boete betreft, niet in
stand kan blijven. In verband met de hiervoor aangeduide beperking van
de periode van intrekking en terugvordering zal het (bruto)benadelingsbedrag,
waarvan de boete is afgeleid, immers een wijziging ondergaan. Ook ten
aanzien van de boete dient derhalve een nieuw besluit op bezwaar te
volgen.
De aanvraag van 13 november 2000
Indien een belanghebbende na beëindiging van zijn bijstandsuitkering
een nieuwe aanvraag om bijstand indient, ligt het volgens vaste
jurisprudentie van de Raad op zijn weg om aan te tonen dat er sprake is
van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere
tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in
aanmerking te komen. Naar het oordeel van de Raad is appellant daarin
niet geslaagd, waarbij de Raad onder meer van belang acht de bevindingen
bij het huisbezoek op 13 oktober 2000 en de omstandigheid dat appellant
per die datum was uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie.
Slotoverwegingen
Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist zoals hierna in
rubriek III is aangegeven.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op eveneens € 644,-- in hoger beroep voor
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 18 mei 2001, voorzover dit ziet op de
intrekking van het recht op bijstand van appellant over de periode van 1
juli 1999 tot en met 20 maart 2000;
Vernietigt het besluit van 18 mei 2001, voorzover het ziet op de
terugvordering van de aan appellant verleende bijstand en bepaalt dat
gedaagde, met inachtneming van deze uitspraak, in zoverre een nieuw
besluit neemt op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 mei
2001;
Vernietigt het besluit van 23 juli 2001, voorzover dat betrekking heeft
op de hoogte van de boete en bepaalt dat gedaagde, met inachtneming van
deze uitspraak, in zoverre een nieuw besluit neemt op het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 23 juli 2001;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de
griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het betaalde
griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.
Aldus gewezen mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van der
Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2004.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper.
|
|