|
Uitspraak
02/2346
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Groningen van 13 maart 2002, reg.nr. 01/332 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft diverse nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 september 2004, waar
appellant is verschenen en waar gedaagde zich - zoals tevoren
aangekondigd - niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de tussen partijen gewezen
uitspraak van de president van de Raad van 19 december 2000, reg.nrs.
00/5543 NABW-VV en 00/5537 NABW.
Bij evenvermelde uitspraak heeft de president onder meer overwogen dat
het gedaagde, na zijn besluit om de aanvraag van appellant van 13 maart
2000 alsnog in behandeling te nemen en na de mededeling die aanvraag
inhoudelijk te zullen beoordelen, niet meer vrijstond die aanvraag in
een later stadium - met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) - niet verder meer te behandelen. Voorts heeft de
president met gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het
besluit op bezwaar van 22 augustus 2000 bepaald dat gedaagde met
inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de tegen de
besluiten van 27 april 2000 en 7 juli 2000 gemaakte bezwaren dient te
nemen.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft gedaagde bij besluit van 27
februari 2001 het bezwaar tegen het besluit van 27 april 2000
niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is erop gewezen dat appellant geen
belang meer heeft bij dit bezwaar aangezien de aanvraag inmiddels
opnieuw in behandeling is genomen. Het tegen het besluit van 7 juli 2000
gemaakte bezwaar is, eveneens bij het besluit van 27 februari 2001,
ongegrond verklaard. Daartoe heeft gedaagde overwogen dat de aanvraag om
bijstand dient te worden afgewezen nu appellant onvoldoende inlichtingen
heeft verstrekt, zodat niet kan worden beoordeeld of hij in
bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Gedaagde heeft in dat
besluit voorts nog overwogen:
"Het feit dat belanghebbende tijdens de zitting van de CRvB op 12
december 2000 wel gegevens heeft overhandigd met betrekking tot de
afkoopwaarde van de lijfrenteverzekering, doet aan het bovenstaande
niets af. Ten tijde van de afhandeling van de eerste aanvraag waren deze
gegevens immers niet bekend omdat belanghebbende deze weigerde te
verstrekken. Belanghebbende kan daarom niet achteraf alsnog
bewerkstelligen dat deze gegevens betrokken worden bij de eerste
aanvraag.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de dienst naar aanleiding van de
recente informatieverstrekking aanleiding ziet om ambtshalve een
aanvraag om uitkering in behandeling te nemen waarbij de datum van de
zitting van 12 december 2000 als meldingsdatum wordt genomen."
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 27 februari 2001 ingestelde beroep van appellant ongegrond
verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat het
bezwaar tegen het besluit van 27 april 2000 terecht niet-ontvankelijk is
verklaard wegens het ontbreken van enig belang en voorts dat appellant
nog steeds niet heeft voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 65
van de Algemene bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 5 april 2001 heeft gedaagde appellant onder toepassing
van artikel 24, aanhef en onder a, van de Abw met ingang van 12 december
2000 algemene bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.
Bij besluit van 23 oktober 2003 is het recht op bijstand van appellant
met toepassing van artikel 69, eerste lid, van de Abw opgeschort met
ingang van 23 oktober 2003. Nadien is de uitkering kennelijk bij besluit
van 19 december 2003 beëindigd. Vanaf januari 2004 heeft appellant naar
zijn zeggen geleefd van een erfenis.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen het
oordeel van de rechtbank, voorzover dit ziet op de ongegrondverklaring
van het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2000.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen vloeit uit de in artikel 7:11,
eerste lid, van de Awb neergelegde verplichting tot volledige
heroverweging van het primaire besluit onder meer voort dat op een
bezwaarschrift in beginsel moet worden beslist met inachtneming van alle
ten tijde van het nemen van die beslissing van belang zijnde feiten en
omstandigheden. Dat betekent onder meer dat die heroverweging dient te
geschieden op grond van alle - relevante - op de zaak betrekking
hebbende stukken die op dat moment in het bezit zijn van het
bestuursorgaan en voorzover deze betrekking hebben op de periode in
geding (in gevallen als het onderhavige in beginsel vanaf datum aanvraag
tot de datum van het primaire besluit; in dit geval derhalve van 7 april
2000 tot 7 juli 2000).
Gedaagde heeft dit miskend door bij het nemen van het nieuwe besluit op
bezwaar van 27 februari 2001 tegen het primaire besluit van 7 juli 2000
geen acht te slaan op de stukken die door appellant zijn overgelegd ter
zitting van de president van de Raad op 12 december 2000 en die
betrekking hebben op de afkoop(waarde) van de lijfrenteverzekering in
2000. Hieruit volgt dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak,
voorzover aangevochten - het beroep gegrond dient te worden verklaard en
het besluit van 27 februari 2001 wegens strijd met artikel 7:11, eerste
lid, van de Awb dient te worden vernietigd.
Op grond van de navolgende overwegingen oordeelt de Raad evenwel dat de
rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die
hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken
dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van
het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Tot die
middelen behoort onder meer het vermogen, bedoeld in artikel 51, eerste
lid, van de Abw, te weten de waarde van de bezittingen waarover de
betrokkene bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of
redelijkerwijs kan beschikken, alsmede de middelen die worden ontvangen
tijdens de periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan,
voorzover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47 van de Abw.
Van het vastgestelde vermogen blijft voor een alleenstaande ingevolge
artikel 54, aanhef en onder a, van de Abw ten tijde hier van belang f 10.000,-- buiten beschouwing.
Op 31 januari 1996 heeft de voormalige werkgever van appellant bij de
Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. onder storting
van een bedrag van f 35.000,-- ten behoeve van appellant een
lijfrenteverzekering afgesloten. Op 13 maart 2000 diende appellant een
aanvraag in om bijstand met ingang van 7 april 2000 in aansluiting op
(de beëindiging van) zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.
Gedaagde heeft appellant daarop diverse malen verzocht gegevens te
verstrekken inzake de actuele stand van de lijfrente en het vermogen dat
vrijkomt indien de lijfrente wordt afgekocht.
De Raad onderschrijft het oordeel van de president in bovenvermelde
uitspraak dat deze informatie uit een oogpunt van toepassing van de Abw
nodig is voor de beantwoording van de vraag of appellant, gelet op het
in aanmerking te nemen vermogen, recht heeft op bijstand. Daarbij neemt
de Raad in aanmerking dat de lijfrenteverzekering, blijkens de gedingstukken, afkoopbaar is en dat die afkoop redelijkerwijs van appellant
kan worden gevergd. Ten aanzien van dat laatste merkt de Raad nog op dat
aan de Abw het beginsel ten grondslag ligt dat een betrokkene in de
eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het
bestaan. In dat verband komt aan het belang van een eventuele
toekomstige voorziening in de vorm van een lijfrente-uitkering, gelet op
het actualiteitsprincipe en het sluitstukkarakter van de Abw, geen
betekenis toe. Van belang zijn immers slechts de aanspraken van
appellant ten tijde van zijn verzoek om bijstand en de daarbij ingevolge
hoofdstuk IV, afdeling 3, van de Abw in aanmerking te nemen middelen.
Met de president acht de Raad voorts niet aan twijfel onderhevig dat
appellant redelijkerwijs de beschikking kon krijgen over de gevraagde
informatie. Onder de gedingstukken bevinden zich immers twee aan hem
gerichte aanbiedingen van de verzekeraar tot afkoop van de verzekering.
Deze aanbiedingen vermelden de afkoopwaarde onder voorwaarde van een
gunstig medisch advies, primair te beoordelen aan de hand van een door
appellant in te vullen gezondheidsverklaring.
De Raad stelt vast dat ook indien de door appellant ter zitting van de
president van de Raad van 12 december 2000 overgelegde stukken wél bij
de beoordeling worden betrokken, door gedaagde nog steeds niet met
zekerheid kan worden vastgesteld wat de precieze afkoopwaarde is van de
lijfrenteverzekering, die gelet op het voorgaande door gedaagde in de
middelentoets dient te worden betrokken. De Raad oordeelt verder dat het
op de weg van appellant ligt daaromtrent de verlangde duidelijkheid bij
zijn verzekeraar te verkrijgen en deze (schriftelijke) informatie
vervolgens aan gedaagde over te leggen. Dat een dergelijk handelen van
appellant niet zou kunnen worden gevergd, is de Raad niet gebleken.
Aangezien appellant aldus in gebreke is gebleven, moet worden geoordeeld
dat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingen- en
medewerkingsverplichting, bedoeld in artikel 65, eerste respectievelijk
derde lid (oud), van de Abw.
Ten gevolge van het door appellant niet naar behoren nakomen van de
inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand ook naar het oordeel
van de Raad niet worden vastgesteld, zodat gedaagde de aanvraag om
bijstand - zij het op niet geheel juiste gronden - terecht heeft
afgewezen.
In hetgeen overigens van de zijde van appellant naar voren is gebracht
ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.
In het voorgaande ligt besloten dat voor het treffen van een voorlopige
voorziening (ten aanzien van het primaire besluit van 7 juli 2000), zoals door appellant bij brief van 11 september 2004
verzocht, geen ruimte is.
Voorzover appellant beoogt in het kader van dit geding een voorlopige
voorziening te verkrijgen ten aanzien van de periode na 12 december 2000
(zijnde de datum met ingang waarvan aan appellant alsnog bijstand is
verleend), in het bijzonder met het oog op de situatie in 2004, merkt de
Raad op - onder verwijzing naar eerder tussen partijen gewezen
uitspraken van de voorzieningenrechter van de Raad van 15 januari 2004
reg.nrs. 03/5872 NABW en 03/6446 NABW -, dat die periode in dit geding
niet aan de orde is, zodat daarvoor eveneens geen ruimte is.
Het verzoek om gedaagde tot vergoeding van geleden of te lijden schade
te veroordelen wijst de Raad af aangezien er, nu het besluit van 27
februari 2001 materieel in stand blijft, hoe dan ook geen grond is voor
schadevergoeding.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 36,40
wegens gemaakte reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 27 februari 2001, voorzover daarbij het
bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2000 ongegrond is verklaard;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit
van 27 februari 2001 in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 159,14, te betalen door de gemeente Groningen;
Bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellant het betaalde
griffierecht van in totaal € 36,40 vergoedt;
Wijst het verzoek om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van schade
af.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van
M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober
2004.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper.
|
|