|
Uitspraak
02/2580
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Haarlem van 25 maart 2002, reg.nr. 01-323 Nabw.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 31 augustus 2004, waar
appellante in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door G.S. Woudstra, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.
II. MOTIVERING
Appellante heeft vanaf 1990 meerdere keren bijzondere bijstand ontvangen
voor de kosten van contactlenzen en lenzenvloeistof.
Bij besluit van 25 januari 2001 (hierna: besluit I) heeft gedaagde in
bezwaar gehandhaafd het besluit van 24 mei 2000. Bij laatstgenoemd
besluit is de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand in de
kosten van contactlenzen en lenzenvloeistof van 6 maart 2000 afgewezen
op de grond dat, gelet op het ingewonnen medische advies, deze kosten
niet behoren tot de noodzakelijke bestaanskosten als bedoeld in artikel
39, eerste lid (oud), van de Algemene bijstandswet (Abw).
Hangende het beroep bij de rechtbank heeft gedaagde met wijziging van
besluit I op 21 juni 2001 een nieuw besluit op bezwaar genomen (besluit
II), waarbij de weigering van bijzondere bijstand voor contactlenzen en
lenzenvloeistof is gehandhaafd, maar tevens een overgangsregeling is
getroffen. Die overgangsregeling komt er - kort gezegd - op neer dat
over de periode van 14 februari 1999 tot 1 juni 2000 bijzondere bijstand
wordt verleend voor contactlenzen en lenzenvloeistof tot 100% van de
aangetoonde kosten van f 1.002,-- en dat over de periode van 1 juni 2000
tot 1 januari 2001 50% van de aangetoonde kosten van f 381,75 wordt
vergoed.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante tegen besluit I niet-ontvankelijk verklaard en het beroep
tegen besluit II ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen het
oordeel van de rechtbank voorzover dit ziet op besluit II. Zij is van
mening dat wel degelijk sprake is van noodzakelijke kosten en dat de
bijzondere bijstand ten onrechte plotseling is stopgezet.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 39, eerste lid (oud), van de Abw is bepaald dat onverminderd
hoofdstuk II de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere
bijstand voorzover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in
de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van
het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en
wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in
afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
Gelet op deze bepaling staat primair ter beoordeling of de onderhavige
kosten als noodzakelijk zijn aan te merken.
De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met de overwegingen die de
rechtbank hebben geleid tot de conclusie, dat de contactlenzen en de
lenzenvloeistof voor appellante uit medisch oogpunt niet noodzakelijk
zijn. Ook de Raad is niet gebleken dat de door de GGD op 26 september
1999 en 9 januari 2001 gegeven adviezen, waarbij uitsluitend een bril
als medisch noodzakelijk is aangemerkt, op onzorgvuldige wijze tot stand
zijn gekomen, dan wel naar hun inhoud onjuist zijn. Van de zijde van
appellante zijn geen objectieve medische gegevens overgelegd die een
ander standpunt rechtvaardigen.
Gedaagde heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat geen
sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 39, eerste lid
(oud), van de Abw.
Ten aanzien van de grief van appellante dat zij reeds enige jaren
bijzondere bijstand voor de hier aan de orde zijnde kosten heeft
ontvangen op basis van eerdere adviezen van de GGD en dat zij zich niet
kan verenigen met de tijdens de procedure bij de rechtbank tot stand
gekomen afbouwregeling, overweegt de Raad in de eerste plaats dat
gedaagde niet het recht kan worden ontzegd om, aan de hand van nadere
medische advisering, de (continuering van) vergoeding in de vorm van
bijzondere bijstand van kosten als hier aan de orde nader te bezien.
Voorts heeft de rechtbank hieromtrent het volgende overwogen:
"Door de inhoud van die eerdere adviezen en de daarop gebaseerde
besluitvorming, die ertoe heeft geleid dat eiseres gedurende meerdere
jaren bijzondere bijstand is verstrekt en de kosten voor contactlenzen
heeft vergoed gekregen, terwijl niet kan worden gesproken van een
verandering in de medische situatie, is bij eiseres wel het vertrouwen
gewekt dat zij voor vergoeding in aanmerking zou blijven komen. Het
rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel dat een bijstandsverlenend
orgaan jegens een uitkeringsgerechtigde in acht behoort te nemen brengt
in zo’n geval met zich mee dat een behoorlijke overgangsregeling c.q.
afbouwregeling dient te worden getroffen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de door verweerder thans
toegepaste afbouw inderdaad de toets van een behoorlijke regeling
doorstaan."
De Raad kan zich met deze overwegingen verenigen en neemt deze over.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet
is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober
2004.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|