|
Uitspraak
02/2438
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], ten tijde in geding wonende te [woonplaats] (België),
appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 maart
2002, reg.nr. 01/739 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 september 2004, waar
appellant noch zijn gemachtigde is verschenen, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door J.K. Petersen, werkzaam bij de
gemeente Woensdrecht.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellant ontving vanaf 10 maart 1999 een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Met
ingang van 8 oktober 1999 is appellant in voorlopige hechtenis genomen.
Bij besluit van 20 januari 2000 is de bijstandsuitkering van appellant
in verband met diens detentie met ingang van 8 oktober 1999 beëindigd.
Bij uitspraak van de rechtbank Breda van 27 januari 2000 is appellant
bij verstek tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld. Appellant is na
een schorsing van de voorlopige hechtenis op 30 december 1999 niet in
voorarrest teruggekeerd. Op 29 juni 2000 is appellant in België
aangehouden. Bij vonnis van de rechtbank in eerste aanleg van het
gerechtelijk arrondissement Antwerpen van 5 januari 2001 is appellant
veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf waarvan twee jaar effectief.
Appellant is daar tot 26 maart 2001 gedetineerd geweest.
Op 24 juli 2000 heeft appellant gevraagd hem vanaf 1 juni 2000 in
aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand in de kosten van het
aanhouden van zijn huurwoning tijdens de periode van detentie. Bij
besluit van 21 augustus 2000 heeft gedaagde de aanvraag buiten
behandeling gesteld onder verwijzing naar het besluit van 20 januari
2000.
Bij besluit van 20 december 2000 heeft gedaagde vervolgens, onder
herziening van de eerdere beslissing van 21 augustus 2000 terzake, de
aanvraag alsnog afgewezen.
Gedaagde heeft bij besluit van 13 maart 2001 het bezwaar tegen het
besluit van 20 december 2000 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 13 maart 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, van de Abw is bepaald dat
degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, geen recht op
bijstand heeft. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat dit
voorschrift geldt voor het recht op algemene en bijzondere bijstand.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Abw zijn burgemeester en
wethouders bevoegd aan een persoon die geen recht heeft op bijstand,
gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 1 bijstand te
verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Gedaagde heeft de aanvraag van appellant mede beoordeeld aan de hand van
het beleid dat hij in het kader van de hem bij artikel 11, eerste lid,
van de Abw gegeven bevoegdheid als voormeld heeft ontwikkeld. Volgens
dat beleid kan in een geval van detentie bijzondere bijstand in de
huurkosten worden verstrekt indien vaststaat dat de detentie niet langer
dan één jaar gaat duren en kan geen bijzondere bijstand worden
verstrekt in overige aan de huurwoning verbonden vaste lasten.
De Raad overweegt dat - zoals uit de wetsgeschiedenis naar voren komt -
burgemeester en wethouders eerst dan bevoegd zijn met toepassing van
artikel 11, eerste lid, van de Abw bijstand te verlenen, indien in
concreto vast staat dat sprake is van een acute noodsituatie. Het
evengenoemde beleid van gedaagde gaat daaraan voorbij en is dan ook met
artikel 11, eerste lid, van de Abw in strijd.
In het onderhavige geval is de Raad van oordeel dat geen sprake is van
een acute noodsituatie. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat
appellant alleenstaand is. Dit betekent dat gedaagde niet de bevoegdheid
heeft de aanvraag van appellant op grond van artikel 11, eerste lid, van
de Abw in te willigen.
Het door gedaagde vastgestelde beleid moet naar het oordeel van de Raad
worden gekwalificeerd als buitenwettelijk beleid, dat door de
bestuursrechter terughoudend dient te worden getoetst. Dit houdt in dat
de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als gegeven wordt
aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of zodanig beleid op
consistente en redelijke wijze is toegepast. Naar het oordeel van de
Raad is in het onderhavige geval aan deze eisen voldaan. Daarbij heeft
de Raad in aanmerking genomen dat appellant zowel ten tijde van de
aanvraag als ten tijde van het primaire besluit van 20 december 2000 in detentie verbleef en dat hij bij vonnis van de
rechtbank Breda van 27 januari 2000 tot drie jaar gevangenisstraf is
veroordeeld, welke straf hij ten tijde in geding voor het grootste
gedeelte nog diende te ondergaan. Dat die veroordeling destijds nog niet
onherroepelijk was doet aan het voorgaande niet af.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. W.I. Degeling als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C.
de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 november 2004.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) P.C. de Wit.
|
|