|
Uitspraak
02/6148
NABW en 02/6149 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats 1], appellant, en [appellante],
wonende te [woonplaats 2], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellanten, ieder voor zich, heeft mr. A. Atema, medewerker van
het Buro voor Rechtshulp Leeuwarden, hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 oktober 2002, reg.nr.
02/834 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft desgevraagd nadere
stukken aan de Raad doen toekomen.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 16 november 2004,
waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Atema,
en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A.D. de Grave,
werkzaam bij de gemeente Heerenveen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten hebben op 31 juli 2000 bijstand ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) aangevraagd. Op het ‘inlichtingenformulier voor de
aanvraag bijstand’ van 30 juli 2000 hebben zij de vraag of zij
sieraden bezitten ontkennend beantwoord. Bij besluit van 4 oktober 2000
is aan appellanten met ingang van 26 augustus 2000 bijstand toegekend,
berekend naar de norm voor gehuwden. Gedaagde heeft daarbij het vermogen
bij de aanvang van de bijstandsverlening vastgesteld op f 20.000,--.
Na verbreking van de relatie tussen appellanten heeft appellant op 25
juni 2001 opnieuw bijstand aangevraagd. Op het ‘inlichtingenformulier
voor de aanvraag bijstand’ van 26 juni 2001 heeft appellant aangegeven
dat hij sieraden bezit met een geschatte waarde van f 50.000,--. Naar
aanleiding hiervan is door sociaal rechercheur K. Hoekstra onderzoek
verricht, in het kader waarvan appellant tijdens een huisbezoek op 26
juli 2001 is gehoord. Van de bevindingen van het onderzoek is verslag
gedaan in een rapport van 1 augustus 2001.
De onderzoeksresultaten hebben gedaagde aanleiding gegeven om bij
besluit van 11 september 2001 de aanvraag van appellant af te wijzen op
de grond dat hij beschikt over een vermogen dat het voor hem geldende
vrij te laten bescheiden vermogen overtreft. Voorts heeft gedaagde bij
besluit van 12 september 2001 met toepassing van artikel 69, derde lid,
aanhef en onder a, van de Abw de aan appellanten toegekende
bijstandsuitkering met ingang van 26 augustus 2000 herzien (lees:
ingetrokken). Bij hetzelfde besluit van 12 september 2001 heeft gedaagde
met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de over de periode
van 26 augustus 2000 tot en met 24 juni 2001 gemaakte kosten van
bijstand tot een bedrag van f 19.608,49 van appellanten teruggevorderd.
Gedaagde heeft aan zijn besluit van 12 september 2001 ten grondslag
gelegd dat appellanten op 26 augustus 2000 zonder daarvan aan gedaagde
melding te maken beschikten over een vermogen dat het voor hen geldende
vrij te laten bescheiden vermogen overtreft.
Appellant heeft tegen de besluiten van 11 en 12 september 2001 bezwaar
gemaakt en appellante tegen het besluit van 12 september 2001. In dat kader hebben appellanten allebei een
taxatierapport overgelegd. Sociaal rechercheur Hoekstra heeft naar
aanleiding daarvan aanvullend gerapporteerd op 7 maart 2002. Bij besluit
van 4 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond
verklaard. Bij separaat besluit van eveneens 4 juni 2002 is het bezwaar
van appellante ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de
besluiten van 4 juni 2002 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep, ieder voor zich, gemotiveerd
tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met betrekking tot de intrekking en de terugvordering
De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat gedaagde haar ten
onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld haar zienswijze naar voren
te brengen alvorens bij besluit van 12 september 2001 tot intrekking en
terugvordering over te gaan. De Raad merkt in dit verband op dat
gedaagde bij een besluit van financiële aard als het onderhavige, op
grond van
artikel 4:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
bevoegd is van toepassing van artikel 4:8 van de Awb af te zien. De Raad
acht geen grond aanwezig voor het oordeel dat gedaagde in het geval van
appellante tot het horen van appellante niettemin gehouden was.
De Raad is voorts van oordeel dat op grond van de gedingstukken
voldoende is komen vast te staan dat appellanten gedurende de periode
van 26 augustus 2000 tot en met 24 juni 2001 hebben beschikt over een
vermogen dat het voor appellanten geldende vrij te laten bescheiden
vermogen overtreft. De Raad hecht in het bijzonder betekenis aan de
tijdens een huisbezoek op 26 juli 2001 tegenover sociaal rechercheur
Hoekstra afgelegde verklaring van appellant dat hij diverse gouden
sieraden bezit, dat de waarde van die sieraden omstreeks f 50.000,--
bedraagt en dat hij die sieraden reeds vijf jaar in zijn bezit heeft.
Deze verklaring is voor wat de geschatte waarde van de sieraden betreft
in overeenstemming met hetgeen appellant op het inlichtingenformulier
van 26 juni 2001 heeft aangegeven. Voorts neemt de Raad in aanmerking
dat gedaagde bij besluit van 4 oktober 2000 het vermogen van appellanten
bij de aanvang van de bijstandsverlening heeft vastgesteld op f
20.000,--. Appellanten beschikten derhalve op 26 augustus 2000 reeds
over een vermogen ter hoogte van het voor hen geldende vrij te laten
bescheiden vermogen, in welk vermogen blijkens de aan het besluit van 4
oktober 2000 ten grondslag liggende rapportage van 29 september 2000 de
waarde van de onderhavige sieraden niet is betrokken.
In hoger beroep hebben appellanten aangevoerd dat appellant op het
inlichtingenformulier van 26 juni 2001 de geschatte waarde van de
sieraden weliswaar in Nederlandse guldens heeft vermeld, maar dat hij
Surinaamse guldens, die een veel lagere waarde vertegenwoordigen,
bedoelde. Deze stelling komt de Raad ongeloofwaardig voor. De Raad acht
in dit kader van belang dat appellant op het inlichtingenformulier ook
bedragen in Nederlandse guldens heeft vermeld waarvan onaannemelijk is
dat daarmee Surinaamse guldens zijn bedoeld. Ook de omstandigheid dat
appellant tijdens het verhoor van 26 juli 2001 niet rept over Surinaamse
guldens en de verklaring van appellant ter zitting van de Raad dat hij
de sieraden die hij gekocht heeft, in Nederlands guldens heeft betaald,
wijzen er niet op dat hij op het inlichtingenformulier de geschatte
waarde van de sieraden per abuis in Nederlandse guldens heeft vermeld.
Appellanten hebben verder naar voren gebracht dat de waarde van de
sieraden waarover zij beschikken niet in de buurt komt van de waarde
waarvan gedaagde in zijn besluitvorming is uitgegaan. Zij hebben ter
onderbouwing van die stelling gewezen op de in de bezwaarfase reeds
overgelegde taxatierapporten van 13 september 2001 en 7 januari 2002,
waaruit blijkt dat de waarde van de door appellanten voor taxatie
aangeboden sieraden slechts f 656,50 respectievelijk € 1.355,--
beliep. De Raad volgt appellanten niet in deze stelling. Naast hetgeen
hiervoor is overwogen over de aanvankelijk door appellant aangegeven
waarde van de sieraden, neemt de Raad daarbij in aanmerking dat door
appellanten slechts 22 sieraden voor taxatie zijn aangeboden, dat de
sociaal rechercheur in zijn rapport van 1 augustus 2001 heeft opgemerkt
dat hij tijdens het huisbezoek op 26 juli 2001 ‘heel veel’ sieraden
heeft gezien en dat de sociaal rechercheur op 7 maart 2002 heeft
verklaard dat hij tijdens het huisbezoek tussen de zestig en zeventig
sieraden heeft gezien.
Appellanten hebben noch op het inlichtingenformulier van 30 juli 2000
noch gedurende de periode dat aan hen bijstand is verleend, aan gedaagde
gemeld dat zij beschikten over sieraden met een geschatte waarde van f
50.000,--. Voor appellanten moet redelijkerwijs duidelijk zijn geweest
dat dit gegeven van belang kan zijn voor het verlenen van bijstand.
Appellanten zijn derhalve gedurende de periode in geding de ingevolge
artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende
inlichtingenverplichting niet nagekomen. Als gevolg daarvan is aan
appellanten over de periode van 26 augustus 2000 tot en met 24 juni 2001
ten onrechte bijstand verleend. Dit brengt mee dat gedaagde ingevolge
artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden was het
recht op uitkering van appellanten in te trekken. Van dringende redenen
als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, om van intrekking af
te zien, is de Raad niet gebleken.
Met het voorgaande is vervolgens gegeven dat met de betrekking tot de
periode van 26 augustus 2000 tot en met 24 juni 2001 is voldaan aan de
voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van
de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van
de Abw om van terugvordering af te zien is de Raad evenmin gebleken.
Met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag om bijstand
De Raad is, met een verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, van
oordeel dat op grond van de gedingstukken voldoende is komen vast te
staan dat appellant op 25 juni 2001 heeft beschikt over een vermogen dat
het voor hem geldende vrij te laten bescheiden vermogen overtrof, zodat
gedaagde op goede gronden zijn aanvraag om uitkering heeft afgewezen.
Hetgeen appellant daartegen in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet
tot een andere conclusie.
Slotoverweging
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. C. van Viegen als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21
december 2004.
(get.) C. van Viegen.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|