|
Uitspraak
02/3989 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft A.G.A. Valkenburg, gemachtigde, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 juli
2002, reg.nr. 01/538 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een nader stuk aan de Raad gezonden.
Het geding is, gevoegd met de gedingen met reg.nrs. 02/3988 NABW en
03/3498 NABW, behandeld ter zitting van 23 november 2004, waar
appellante en haar gemachtigde met voorafgaand bericht niet zijn
verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
J.P. Quaedvlieg, werkzaam bij de gemeente Heerlen. Na de sluiting van
het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze
zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving vanaf 16 november 1998 een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Bij besluit van 25 augustus 2000 is deze uitkering met ingang van 1 mei
2000 beëindigd. In dat besluit is aan appellante tevens mededeling
gedaan van het voornemen van gedaagde om aan haar een boete op te
leggen. Het tegen laatstgenoemd onderdeel van het besluit van 25
augustus 2000 gemaakte bezwaar is bij besluit van gedaagde van 13 maart
2001 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat geen sprake is van een
besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Tot daadwerkelijke oplegging van een boete is het niet gekomen. Bij
besluit van 26 september 2000 heeft gedaagde aan appellante een
waarschuwing gegeven, op de grond dat appellante geen gevolg heeft
gegeven aan het (herhaalde) verzoek om in het kader van de afwikkeling
van de hiervoor vermelde beëindiging van de bijstand kopieën te
verstrekken van de laatste drie aan 1 mei 2000 voorafgaande afschriften
van haar bankrekeningen. Het tegen het besluit van 26 september 2000
gemaakte bezwaar is bij het eerdergenoemde besluit van 13 maart 2001
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 13 maart 2001 ongegrond verklaard.
Appellante heeft deze uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de mededeling
van het voornemen om een boete op te leggen geen besluit is in de zin
van artikel 1:3 van de Awb. Anders dan appellante heeft aangevoerd,
heeft de mededeling van dit voornemen immers nog geen rechtsgevolgen.
Met name treedt niet in het door appellante genoemde rechtsgevolg dat,
indien binnen twee jaar weer sprake is van een boetewaardig verzuim,
sprake is van recidive of van de onmogelijkheid om dan te volstaan met
een waarschuwing. Een zodanig rechtsgevolg kan pas intreden indien het
tot een daadwerkelijke oplegging van een boete of een waarschuwing is
gekomen. In zoverre slaagt het hoger beroep dan ook niet.
Tegen de door gedaagde gegeven waarschuwing heeft appellante aangevoerd
dat deze voortvloeit uit het niet nakomen van de haar - naar zij stelt
in strijd met haar recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer
- opgelegde verplichting om bankafschriften over te leggen. Daarbij
heeft appellante zich mede beroepen op een rapport van de
Registratiekamer, getiteld Privacybescherming in de uitvoering van de
Algemene bijstandswet.
Naar vaste jurisprudentie neemt de Raad bij de beoordeling van de vraag
of, en zo ja, in welke mate, de belanghebbende verplicht is in het kader
van een onderzoek naar het recht op bijstand van belang zijnde financiële
en andere persoonlijke gegevens te verstrekken als uitgangspunt, dat
deze inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig mag zijn
aan het met de verstrekking van de gegevens nagestreefde doel en dat dit
doel niet op een minder ingrijpende wijze moet kunnen worden bereikt.
Voorts heeft de Raad eerder uitgesproken (zie bijvoorbeeld de uitspraak
van 25 november 2002, gepubliceerd in JABW 2002/88), dat uit het
hiervoor genoemde rapport van de Registratiekamer niet kan worden
opgemaakt dat het ter inzage verlangen van bank- en giroafschriften over
een periode van drie maanden niet zou zijn geoorloofd indien voor
zodanige inzage gegronde redenen bestaan.
In het onderhavige geval heeft gedaagde slechts gevraagd naar de drie
laatste bankafschriften, waarbij bovendien aan appellante is toegestaan
de daarop voorkomende gegevens over haar uitgaven zwart te maken. De
Raad acht het beëindigingsonderzoek, in welk kader overlegging van deze
gegevens is gevraagd, voldoende grond om deze overlegging van gegevens
van appellante te verlangen. Dit onderzoek was zowel noodzakelijk om de
juiste beëindigingsdatum te bepalen als om de wederzijdse rechten en
verplichtingen ten tijde van de beëindiging vast te stellen. De Raad
ziet geen redenen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de
onderhavige, beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van
appellante onevenredig is aan het met de overlegging van de gegevens
nagestreefde doel.
Vast staat dat appellante, nadat haar meerdere keren was verzocht om de
bankafschriften over te leggen, slechts ten dele aan het verzoek heeft
voldaan door uitsluitend het laatste aan 1 mei 2000 voorafgaande
bankafschrift in te zenden.
Gedaagde heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat
appellante daarmee de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op
haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Op grond van
artikel 14a, eerste lid, van de Abw was gedaagde in beginsel gehouden
aan appellante een boete op te leggen. Niet is gebleken dat bij
appellante elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Gedaagde heeft
gebruik gemaakt van de in het derde lid van dat artikel neergelegde
bevoegdheid om, in het geval - zoals hier aan de orde - de schending van
de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of
tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, te volstaan met het
opleggen van een waarschuwing. Nu naar het oordeel van de Raad niet kan
worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid
gebruik heeft gemaakt dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in
strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een
algemeen rechtsbeginsel, slaagt het hoger beroep ook in zoverre niet.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Gezien het voorgaande is er geen grond voor toewijzing van het verzoek
van appellante om veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding. Dit
verzoek dient dan ook te worden afgewezen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten, nu van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten
niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter, en mr. C. van
Viegen en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D.
Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 december
2004.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) I.D. Veldman.
|
|