|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/3313 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J.M. Stam, advocaat te Apeldoorn, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 juni
2003, reg.nr. 02/1011 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 december 2004, waar voor
appellante mr. Stam is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door P.C. Maassen van den Brink-Jager, werkzaam bij de
gemeente Apeldoorn.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 1 juli 1999 van gedaagde een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Op verzoek van gedaagde heeft
de consulent van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie S. Schutte in mei
2001 en in juli 2001 omtrent appellante gerapporteerd. In beide
rapporten is geconcludeerd tot indeling in fase 4 omdat vooralsnog geen
arbeidsmarkt instrumenten inzetbaar waren in verband met bij appellante
bestaande knelpunten. Appellante is vervolgens aangemeld voor een
dienstbetrekking in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) op de grond dat zij aangewezen was op een begeleide werkplek.
In november 2001 is appellante de functie van medewerkster verzorging in
een instelling voor verstandelijk gehandicapten aangeboden voor 36 uur
per week. Appellante heeft dit aanbod afgewezen op de grond dat zij in
verband met haar gezondheidstoestand niet op korte termijn gedurende 36
uur per week kon werken. De directeur van de Stichting Start Werk beëindigde
daarop de uitvoering van het inpassingsplan van appellante, omdat
plaatsing van appellante in het kader van de Wiw niet haalbaar werd
geacht; hij adviseerde als volgt:
"Sanctiemogelijkheden gebruiken. Een eventueel
toekomstige Wiw-aanmelding/-plaatsing zal alleen kunnen plaatsvinden met
een voorafgaande stage. Betrokkene zal eerst moeten laten zien dat zij
werkelijk in staat en bereid is om een arbeidsovereenkomst aan te
gaan."
Bij besluit van 17 december 2001 heeft gedaagde de uitkering van
appellante gedurende één maand, ingaande 1 december 2001, geheel
geweigerd. Gedaagde heeft deze maatregel opgelegd op de grond dat
appellante geweigerd heeft de haar aangeboden en als passend aan te
merken dienstbetrekking bij Stichting Start Werk in het kader van de Wiw
te aanvaarden.
Bij besluit van 30 mei 2002 heeft gedaagde het tegen het besluit van 17
december 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 30 mei 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder
meer overwogen dat het niet intern bij de zorginstelling kunnen wonen de
reden van de werkweigering was en niet haar medische toestand op dat
moment.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Aan de maatregel is ten grondslag gelegd het bepaalde in artikel 14 van
de Abw en in de artikelen 3, aanhef en onder 4, onder a, en 5, eerste
lid, aanhef en onder d, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz.
Partijen verschillen met name van mening over de vraag of sprake is
geweest van het niet aanvaarden van passende arbeid. Ingevolge artikel
113, tweede lid, van de Abw wordt - voorzover hier van belang - onder
passende arbeid verstaan alle arbeid die voor de krachten en
bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om
redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan
worden gevergd.
De Raad stelt eerst vast dat gedaagde niet heeft onderzocht of de door
de Stichting Start Werk aangeboden voltijdse arbeid als medewerkster
verzorging in een instelling voor verstandelijk gehandicapten in het
kader van de Wiw als passend in de zin van artikel 113, tweede lid, van
de Abw voor appellante kon worden aangemerkt. Anders dan de rechtbank
heeft aangenomen is de door appellante opgegeven reden voor het niet
aanvaarden van de aangeboden arbeid dat zij om gezondheidsredenen (nog)
niet in staat was om die arbeid gedurende een volledige werkweek te
verrichten. Appellante heeft dit kenbaar gemaakt in het bezwaarschrift.
Zij heeft daarbij vermeld dat zij geruime tijd met benauwdheid en
hoofdpijn kampte, aan astma leed en in een ongeschikte (te vochtige)
woning woonde. Zij heeft haar opvatting in beroep nader onderbouwd met
medische gegevens van haar huisarts en met een advies van de Medische
Sociale Indicatie Commissie van 24 april 2001. Voorts heeft zij verwezen
naar de inhoud van een na het besluit op bezwaar op verzoek van gedaagde
uitgebracht arbeidsmedisch rapport van 30 augustus 2002.
Met appellante is de Raad van oordeel dat, gelet op de aard van de naar
voren gebrachte bezwaren, in dit geval nader medisch onderzoek vanwege
gedaagde naar de vraag of de aangeboden arbeid al dan niet passend was,
niet achterwege had mogen blijven. Anders dan gedaagde in het
verweerschrift van 10 december 2002 heeft gesteld, geldt niet dat het
aan appellante is om aan te tonen dat er sprake is van een door een arts
geconstateerde ziekte, wanneer zij meent wegens ziekte niet in staat te
zijn om een aangeboden functie te aanvaarden. Het gaat hier immers om
een voor appellante belastend besluit, zodat op gedaagde de bewijslast
rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor
uitoefening van de bevoegdheid om tot het opleggen van een maatregel
over te gaan. De Raad merkt in dit verband nog op dat op grond van de
bij het nemen van het besluit op bezwaar ter beschikking staande
gegevens bepaald onduidelijk was of appellante uit medisch oogpunt
bezien naar objectieve maatstaven gemeten vanaf 1 december 2001 in staat kon worden geacht de betreffende arbeid
gedurende 36 uur per week te verrichten. Die onduidelijkheid is niet
opgeheven met de door appellante ingebrachte gegevens van haar huisarts
en het hiervoor genoemde rapport van 30 augustus 2002. Uit laatstgenoemd
rapport blijkt wel dat bij appellante sprake is van lichamelijke en
psychische arbeidsbeperkingen; het daarin voorgestelde
psychodiagnostisch onderzoek en capaciteitenonderzoek heeft, zo is ter
zitting meegedeeld, niet plaatsgevonden.
Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat de
aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad zal, doende wat
de rechtbank had behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 30
mei 2002 gegrond verklaren, dit besluit wegens strijd met artikel 3:2
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen en gedaagde opdragen
een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt thans
niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door
gedaagde noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de
omvang van de door de besluiten van 17 december 2001 en 30 mei 2002
geleden renteschade. Gedaagde zal bij zijn nadere besluitvorming tevens
aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er
termen zijn om renteschade te vergoeden.
Ingevolge artikel III van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures,
Stb. 2002, 55, blijft artikel 8:75 van de Awb, zoals dit luidde vóór
12 maart 2002 (het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet), van
toepassing, indien het besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt voor
die datum is genomen. Dat is hier het geval, zodat de sedertdien
bestaande wettelijke voorziening inzake veroordeling tot vergoeding van
kosten van bezwaar hier niet van toepassing is. Voor de door appellante
gevorderde vergoeding van kosten die zij in de bezwaarfase heeft gemaakt
geldt ingevolge vaste rechtspraak van de Raad dat deze in beginsel voor
rekening van de betrokkene blijven en slechts in bijzondere gevallen
voor vergoeding - op grond van artikel 8:73 van de Awb - in aanmerking
kunnen komen. Gesteld noch gebleken is dat hier van een dergelijk
bijzonder geval sprake is. Met name valt niet in te zien dat de primaire
besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd zou moeten
worden dat gedaagde tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft
genomen.
Met betrekking tot de door appellante gevorderde vergoeding van de eigen
bijdrage uit hoofde van de verleende toevoeging overweegt de Raad dat in
een bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht een limitatieve
opsomming is gegeven van proceshandelingen waarvoor een forfaitaire
vergoeding kan worden gegeven en dat in vergoeding van de in verband met
een afgegeven toevoeging te betalen bijdrage daarbij niet is voorzien.
Voor een veroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb tot
vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand ziet de Raad ten
slotte wel aanleiding. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en op € 644,-- in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 30 mei 2002;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van hetgeen in de uitspraak van Raad is overwogen;
Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de kosten in
bezwaar af;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de
gemeente Apeldoorn aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Apeldoorn aan appellante het betaalde
griffierecht van in totaal € 116,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11
januari 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R. van den Munckhof.
|
|