|
Uitspraak
03/1379 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
10 maart 2003, reg.nr. ABW 02/865.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 december 2004, waar voor
appellante is verschenen mr. De Boorder, en waar gedaagde zich - met
voorafgaand bericht van verhindering - niet heeft laten
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellante ontving over de periode van 1 augustus 1994 tot 1 augustus
1998 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw).
Door gedaagde is onderzoek gedaan naar door appellante verrichte
werkzaamheden en de hiermee verworven inkomsten over de periode van 1
januari 1997 tot en met 19 juli 1998. De resultaten hiervan zijn
neergelegd in een rapport van 14 mei 2001.
Bij besluit van 15 juni 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellante
over de periode van 1 januari 1997 tot en met 19 juli 1998 herzien onder
meer op de grond dat appellante in deze periode inkomsten heeft gehad
die niet in mindering zijn gebracht op haar uitkering, en de over die
periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 18.972,01 van
haar teruggevorderd.
Bij besluit van 26 februari 2002 heeft gedaagde de tegen het besluit van
15 juni 2001 gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, de
periode waarover wordt teruggevorderd beperkt tot de periode van 1 juli
1997 tot en met 19 juli 1998 en het bedrag van de terugvordering nader
bepaald op € 5.803,27.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante
tegen het besluit van 26 februari 2002 ingestelde beroep ongegrond
verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat ter zake
van de in geding zijnde periode van 1 juli 1997 tot en met 19 juli 1998
is gebleken dat appellante afwisselend inkomsten uit arbeid heeft
genoten bij Randstand Uitzendbureau en dat niet is gebleken dat gedaagde
deze inkomsten toentertijd op enigerlei wijze heeft verrekend met de
bijstandsuitkering van appellante. Daarmee staat het voor de rechtbank
vast dat gedaagde ten onrechte, dan wel tot een te hoog bedrag aan
appellante bijstand heeft verleend gedurende de weken dat zij arbeid
heeft verricht bij Randstad Uitzendbureau. Gelet op de tekst van artikel
69, derde lid, onder b, van de Abw speelt daarbij het feit of een
bijstandsgerechtigde al dan niet (volledig) de inkomsten heeft
opgegeven, geen rol. Nu door gedaagde is vastgesteld dat hij te veel
bijstand heeft verleend, is gedaagde gehouden de uitkering van
appellante te herzien. Van dringende redenen op grond waarvan gedaagde
geheel of gedeeltelijk van herziening van de uitkering had moeten
afzien, is de rechtbank niet gebleken. Gedaagde is derhalve gehouden de
kosten van de tot een te hoog bedrag aan appellante verleende bijstand
terug te vorderen. Gelet op het gebruik dat appellante heeft gemaakt van
haar inzagerecht bij gedaagde en de door gedaagde aan appellante
beschikbaar gestelde informatie is de rechtbank voorts van oordeel dat
appellante genoegzaam heeft kunnen achterhalen hoe de terugvordering en
de hoogte daarvan tot stand zijn gekomen. Nu gedaagde de hoogte van de
terugvordering naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam heeft
aangetoond ligt het op de weg van appellante te weerleggen hetgeen door
gedaagde is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante
daartoe nog geen begin van bewijs geleverd. Tenslotte is de rechtbank
niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan gedaagde had moeten
afzien van terugvordering.
De Raad heeft in hetgeen namens appellante in het hogerberoepschrift is
aangevoerd geen aanleiding kunnen vinden om tot een ander oordeel te
komen. Hij onderschrijft in hoofdzaak de door de rechtbank gehanteerde
overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad is op basis van de
beschikbare gegevens voldoende inzichtelijk aan de hand van welke
gegevens gedaagde het recht van appellante op bijstand heeft herzien en
hoe het bedrag van de terugvordering is berekend. Dat, zoals appellante
heeft aangevoerd, gedaagde pas in 2001 is overgegaan tot herziening en
terugvordering van in 1997 en 1998 verleende bijstand, maakt dat niet
anders. Appellante is ook in het hogerberoepschrift niet gekomen tot
een enigszins specifieke betwisting van de in geding zijnde herziening
en de terugvordering, maar heeft in wezen volstaan met het in algemene
bewoordingen geformuleerde standpunt dat geenszins zeker is dat deze
juist zijn.
Ter zitting is namens appellante gewezen op gedaagdes schrijven van 29
juli 1999 waarin haar onder meer mededeling is gedaan van een restant
vordering van f 592,15, zijnde te veel verstrekte uitkering in de maand
juli 1998. Naar de mening van appellante blijkt hieruit dat de
berekening van de terugvordering niet kan kloppen. De Raad kan
appellante hierin niet volgen. Uit voormeld onderzoeksrapport van 14 mei
2001 blijkt dat gedaagde bij zijn berekening van de vaststelling van het
bedrag waarop appellante over de maand juli 1998 recht heeft, rekening
heeft gehouden met een over de periode van 20 juli 1998 tot en met 31
juli 1998 reeds teruggevorderd bedrag in verband met verdiensten bij
werkgever Multiflex. De onderhavige herziening en terugvordering zien op
de door appellante verrichte werkzaamheden via Randstad Uitzendbureau en
de daarmee door haar verworven inkomsten en beperkt zich wat betreft de
maand juli 1998 tot de periode van 1 tot en met 19 juli.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D.
Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 januari
2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) I.D. Veldman.
|
|