|
Uitspraak
03/2215 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Groningen van 18 april 2003, reg.nr. 02/710 NABW.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld op de zitting van 14 december 2004, waar
appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde met kennisgeving
niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Aan appellant is met ingang van 12 december 2000 een uitkering ingevolge
de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een
alleenstaande.
Appellant heeft op 22 maart 2002 gevraagd om een toelichting op de op
zijn uitkering betrekking hebbende jaaropgave 2001. Aangezien een
beslissing op dat verzoek uitbleef, heeft hij tegen het niet tijdig
beslissen op zijn verzoek op 22 mei 2002 bezwaar gemaakt. Tegen het niet
tijdig beslissen op zijn bezwaar heeft appellant op 31 juli 2002 beroep
ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 7 augustus 2002 heeft gedaagde
toelichting gegeven op de jaaropgave 2001. Gedaagde heeft het bezwaar
tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 22 maart 2002 in zijn
besluit van 17 oktober 2002 niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het niet
tijdig beslissen op het bezwaar van 22 mei 2002 niet-ontvankelijk
verklaard en het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2002 ongegrond
verklaard. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft zij
niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang nu de
gevraagde toelichting op 7 augustus 2002 is verstrekt. Het beroep tegen
het besluit van 17 oktober 2002 heeft zij ongegrond verklaard omdat noch
een jaaropgave, noch een toelichting daarop is aan te merken als een
besluit, als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). Daartoe is overwogen dat aan een toelichting op een jaaropgave,
geen rechtsgevolg toekomt.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat een jaaropgave wel moet
worden aangemerkt als een besluit, nu daarin ten dele geldbedragen
worden genoemd die geheel of ten dele worden bepaald door wet- en
regelgeving buiten de Abw. Appellant heeft daarbij het oog op de fiscale
inhoudingen. Naar zijn mening is ten onrechte belasting ingehouden over
leenbijstand. Voorts is aangevoerd dat zonder toelichting op de
jaaropgave niet kan worden beoordeeld of en in hoeverre schade is
geleden, zodat het uitblijven van een tijdige reactie van gedaagde op
het bezwaar van appellant mogelijk niet zonder financieel belang is.
Gedaagde heeft er in hoger beroep mee volstaan aan te geven dat hij zich
zal schikken in ’s Raads oordeel.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Blijkens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit
verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende
een publiekrechtelijke rechtshandeling. Op grond van artikel 6:2 van de
Awb worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar
en beroep met een besluit gelijkgesteld de schriftelijke weigering een
besluit te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit.
De Raad is van oordeel dat de gevraagde toelichting op de jaaropgave
2001 niet kan worden aangemerkt als een besluit, nu deze naar zijn aard
geen wijziging kan brengen in de wederzijds bestaande rechten en
verplichtingen. Het nemen van een beslissing inzake het al dan niet
verlenen van zulk een toelichting kan niet worden aangemerkt als het
verrichten van een rechtshandeling, nu daarmee geen rechtsgevolg kan
zijn beoogd.
Hieruit vloeit voort dat gedaagde het bezwaar tegen uitblijven van een
beslissing op het verzoek van 22 maart 2002 terecht niet-ontvankelijk
heeft verklaard en dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17
oktober 2002 terecht ongegrond heeft verklaard.
De Raad is voorts van oordeel dat de rechtbank het beroep tegen het niet
tijdig beslissen op het bezwaar van 22 mei 2002 terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens vervallen procesbelang. De Raad
overweegt daartoe dat appellant bij de rechtbank weliswaar vergoeding
heeft gevorderd voor geleden en te lijden schade, maar dat hij in die
fase van het geding niet duidelijk heeft gemaakt waaruit deze schade,
gezien het feit dat het geding betrekking had op een gevraagde
toelichting, zou kunnen bestaan.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Met betrekking tot het verzoek van appellant om toezending van het
proces-verbaal van de zitting van 14 december 2004 overweegt de Raad dat
hij voor het opmaken van een proces-verbaal geen aanleiding ziet nu
appellant daarbij geen belang heeft.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. R.
van den Munckhof als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25
januari 2005.
(get.) R.M. van Male.
(get.) R. van den Munckhof.
|
|