|
Uitspraak
03/6531 NABW en 04/5344 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. N.C.A. Boots, advocaat te Helmond, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch
van 2 december 2003, reg.nr. 03/599 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 13 september 2004 heeft gedaagde desgevraagd nadere
stukken ingezonden, waaronder een nader besluit van 18 mei 2004 en een
tegen dat besluit bij de rechtbank ingediend beroepschrift.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2005, waar appellante
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Boots, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door D. van Galen, werkzaam bij de
gemeente Eindhoven.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Appellante ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 9 juli 2001 is de
moeder van appellante overleden. Bij besluit van 7 mei 2002, voorzover
van belang, heeft gedaagde de uitkering van appellante met ingang van 1
april 2002 beëindigd op de grond dat haar vermogen op die datum de in
artikel 54 van de Abw genoemde vermogensgrens overschreed. Bij besluit
van 3 september 2002, voorzover van belang, heeft gedaagde afwijzend
beslist op het tegen de beëindiging van de uitkering gemaakte bezwaar,
daarbij vaststellend dat appellante op 1 april 2002 over een vermogen
beschikte dat de vermogensgrens met € 1.868,95 overschreed. Bij uitspraak van 5 juni 2003 heeft de
rechtbank ’s-Hertogenbosch het beroep tegen onder meer de beëindiging van de
uitkering van appellante ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak is
geen hoger beroep ingesteld.
Op 24 mei 2002 heeft appellante opnieuw een aanvraag om bijstand
ingediend. Bij besluit van 9 oktober 2002 heeft gedaagde appellante met
ingang van 24 mei 2002 een uitkering naar de norm voor een alleenstaande
ouder toegekend. Aangaande het vermogen van appellante heeft gedaagde
het volgende overwogen:
“Bij het vaststellen van het nog vrij te laten vermogen is aangesloten
bij het nog in te teren vermogen per 1 april 2002.
Uitgaven periode 1 april 2002 tot en met 23 mei 2002, € 4235,72
Nog in te teren vermogen per 1 april 2002 - € 1868,95
Van uw vrij te laten vermogen resteert € 2366,77.”
Bij besluit van 28 januari 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 9 oktober 2002 ongegrond verklaard. Het namens appellante
gedane verzoek om vergoeding van de in verband met de behandeling van
het bezwaar gemaakte kosten is daarbij afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 28
januari 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat
gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming
van het in de uitspraak overwogene. De rechtbank heeft daartoe
geoordeeld dat gedaagde bij de vaststelling van het resterend vrij te
laten vermogen ten onrechte niet de per 1 januari 2002 geldende
vermogensgrens van € 9.640,-- heeft gehanteerd.
In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Naar haar mening heeft gedaagde bij de vaststelling
van het bedrag dat van haar vrij te laten vermogen resteert ten onrechte
als uitgangspunt het per 1 april 2002 in te teren vermogen genomen.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde op 18 mei
2004 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij is bepaald dat van
het vrij te laten vermogen per 24 mei 2002 € 3.166,46 resteert. Het
namens appellante gedane verzoek om vergoeding van de in verband met de
behandeling van het bezwaar gemaakte kosten is andermaal afgewezen.
De Raad merkt het besluit van 18 mei 2004 aan als een besluit in de zin
van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit
besluit niet tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante, dient
de Raad, gelet op artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de
Awb, tevens het besluit van 18 mei 2004 in zijn beoordeling te
betrekken.
De Raad stelt vervolgens vast dat het besluit van 18 mei 2004 geheel in
de plaats is gekomen van het besluit van 28 januari 2003. In die
situatie heeft appellante geen procesbelang meer bij het hoger beroep,
zodat dit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Met betrekking tot het besluit van 18 mei 2004 overweegt de Raad als
volgt.
Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt
onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de
alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandsverlening
beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat
tijdstip aanwezige schulden.
Gedaagde heeft het vermogen van appellante per 24 mei 2002 niet
vastgesteld door de waarde van de bezittingen waarover appellante op die
datum beschikte of redelijkerwijs kon beschikken te salderen met de op
die datum aanwezige schulden. Gedaagde heeft het vermogen onder de
toepasselijke vermogensgrens per 24 mei 2002 vastgesteld, rekening
houdend enerzijds met het resterende vrij te laten vermogen op 1 april
2002 en anderzijds met de uitgaven van appellante in de periode van 1
april 2002 tot 24 mei 2002.
Zoals de Raad in zijn aan partijen bekende uitspraak van 20 februari
2001, gepubliceerd in RSV 2001/77, al heeft geoordeeld, vormt een op een
datum in het verleden vastgesteld vermogen alsmede de intering in de
periode daarna geen juist vertrekpunt voor de in beginsel naar de
aanvraagdatum uit te voeren vermogenstoets in het kader van de Abw.
Aangezien appellante voorafgaande aan 24 mei 2002 langer dan een maand
geen bijstand had ontvangen, is, gelet ook op artikel 27 van de Abw, een
nieuwe periode van bijstandsverlening aangevangen en kan niet worden
gesproken van een onderbreking van de bijstandsverlening. Gedaagde had
het vermogen van appellante per 24 mei 2002 dan ook overeenkomstig
artikel 51 van de Abw moeten vaststellen.
Het besluit van 18 mei 2004 dient wegens strijd met de wet te worden
vernietigd. Gedaagde zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw
besluit op bezwaar moeten nemen aangaande het vermogen van appellante
per 24 mei 2002.
Met betrekking tot de grief van appellante dat de kosten die zij in
verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken ten
onrechte niet door gedaagde zijn vergoed, overweegt de Raad het
volgende.
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden de
kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het
bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan
uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het
bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te
wijten onrechtmatigheid. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb
wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft
beslist; het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op
het bezwaar. Ingevolge artikel 7:15, vierde lid, van de Awb worden bij
algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten
waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze
waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, voorzover hier van
belang, is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te
veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de
behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar
redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 7:15, tweede tot en met
vierde lid, van de Awb is hierbij van toepassing. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een
veroordeling als bedoeld in de eerste volzin van artikel 8:75, eerste
lid, van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze
waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
De Raad stelt vast dat namens appellante in het bezwaarschrift van 16
oktober 2002 is verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte
kosten. Voorts is de Raad van oordeel dat het beroep tegen het besluit
van 18 mei 2004 gegrond is en dat dit besluit dient te worden
vernietigd. Naar het oordeel van de Raad is daarbij sprake van een aan
gedaagde te wijten onrechtmatigheid. Daarmee is voldaan aan de
voorwaarden van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb. Het
verzoek van appellante om vergoeding van de kosten van bezwaar is ten
onrechte afgewezen. Aan appellante dient een vergoeding voor de gemaakte
proceskosten in bezwaar te worden toegekend overeenkomstig het bepaalde
in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De Raad ziet, gezien het vorenstaande, aanleiding om, in aanvulling op
de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, gedaagde te
veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling
van het bezwaar en het hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden
begroot op € 644,-- in bezwaar en op € 966,-- in hoger beroep voor
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep, voorzover dat geacht wordt mede te zijn gericht
tegen het besluit van 18 mei 2004 gegrond;
Vernietigt het besluit van 18 mei 2004;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit
van 8 oktober 2002 neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak
overwogene.
Veroordeelt gedaagde in de door appellante in verband met de behandeling
van het bezwaar en het hoger beroep gemaakte kosten tot een bedrag van
€ 1.610,--, te betalen door de gemeente Eindhoven aan de griffier van
de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellante het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 87,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A.
van der Kolk-Severijns en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid
van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1
februari 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M. Pijper.
|
|