|
Uitspraak
01/2014
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie
van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de
Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. Thans berust die bevoegdheid
bij het College. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan
de Commissie Sociale Zekerheid.
Namens appellant heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 15 februari 2001, reg.nr. 00/1113 ABW.
Namens gedaagde zijn een verweerschrift en desgevraagd nadere stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 30 maart 2004, waar appellant
met kennisgeving niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. M.I.E. Rhuggenaath, werkzaam bij de gemeente
’s-Gravenhage.
Na de behandeling is gebleken dat het onderzoek niet volledig is
geweest, zodat het onderzoek is heropend.
Aan gedaagde zijn bij brief van 3 mei 2004 vragen gesteld die bij brief
van 18 juni 2004 zijn beantwoord.
Namens appellant is bij brief van 23 juli 2004 een reactie ingezonden.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een
nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft
gesloten.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, tussen
partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.
Aan appellant, geboren in 1961, is in 1982 een uitkering op grond van de
Algemene Bijstandswet toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij
besluit van 4 maart 1997 is deze uitkering met ingang van 1 april 1997
omgezet in een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw),
eveneens naar de norm voor een alleenstaande. Gedaagde heeft daarbij
bepaald dat met ingang van 1 april 1997 recht bestaat op bijstand ter
hoogte van 50 procent van het netto minimumloon. Gedaagde heeft daarbij
overwogen dat appellant geen recht heeft op een toeslag omdat hij bij
zijn moeder inwoont. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 4 van de
Verordening toeslagen en verlagingen bijstandsnorm van 12 december 1995
(hierna: de Verordening), inhoudende dat aan de alleenstaande die bij
zijn of haar ouder(s) inwoont geen toeslag op de in artikel 30, eerste
lid, aanhef en onder a, van de Abw bedoelde bijstandsnorm wordt
verstrekt.
Appellant heeft tegen het besluit van 4 maart 1997 geen rechtsmiddel
aangewend zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 2 maart 1999, reg.nr. 98/6295,
gepubliceerd in onder meer RSV 1999/163 en USZ 1999/121, geoordeeld dat de in artikel 38 van de Abw bedoelde
verordening, gezien artikel 33, eerste lid, van de Abw, niet mag
inhouden dat een alleenstaande van 21 jaar of ouder, die bij beide
ouders, dan wel één van hen, inwoont geen recht heeft op een toeslag.
Hij heeft daarbij overwogen dat in het geval dat een kind bij zijn
ouder(s) inwoont het hebben van enig zogeheten schaalvoordeel niet kan
worden uitgesloten, maar dat in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd
dat met betrekking tot het kunnen delen van de algemeen noodzakelijke
bestaanskosten sprake is van een situatie die op dit punt geheel
vergelijkbaar is met die van gehuwden.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de raad van de gemeente
’s-Gravenhage de Verordening bij besluit van 1 juli 1999 gewijzigd in
dier voege dat alleenstaande meerderjarige kinderen die bij hun ouder(s)
inwonen met ingang van 1 maart 1999 recht hebben op een toeslag van 14%
van het minimumloon. Vervolgens heeft gedaagde de omvang van het recht
op bijstand van personen die tot deze categorie van
bijstandsgerechtigden behoren met terugwerkende kracht tot 1 maart 1999
ambtshalve gecorrigeerd in die zin dat alsnog toeslag wordt toegekend.
Aan appellant is bij brief van 7 oktober 1999 kennis gegeven van het
besluit om hem met ingang van 1 maart 1999 een toeslag van 14 procent
van het netto minimumloon toe te kennen.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij besluit
van 23 december 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 23 december 1999
ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de Verordening
met een verdergaande terugwerkende kracht gerepareerd had moeten worden
dan tot 1 maart 1999. Hij heeft benadrukt dat de Raad geoordeeld heeft
dat het onthouden van enige toeslag aan meerderjarige alleenstaanden die
bij hun ouder(s) inwonen strijdig moet worden geacht met de wet en dat
het derhalve niet vrijstaat om de terugwerkende kracht te beperken tot 1
maart 1999. Hij is van mening dat hem niet kan worden verweten dat hij
geen bezwaar heeft gemaakt tegen het omzettingsbesluit van 4 maart 1997
omdat hij er niet op is geattendeerd dat hij mogelijk een aanspraak op
een toeslag zou kunnen maken. Aangevoerd is voorts dat de raad van de
gemeente ’s-Gravenhage bevoegd is om de gewijzigde Verordening
verdergaand te laten terugwerken dan tot 1 maart 1999 en dat dit geen
vrijblijvende bevoegdheid is omdat het in het kader van de Abw gaat om
een bestaansvoorziening op het minimumniveau.
Gedaagde beroept zich op de formele rechtskracht van het
omzettingsbesluit van 4 maart 1997. Van bijzondere omstandigheden die zo
klemmend zijn dat hierop een uitzondering moet worden gemaakt is hem
niet gebleken. Met betrekking tot de wijziging van de Verordening van 1
juli 1999 heeft hij aangevoerd dat de raad van de gemeente
’s-Gravenhage rechtens niet gehouden is daaraan een verdergaande
terugwerkende kracht te verlenen dan tot 1 maart 1999.
De Raad overweegt het volgende.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het besluit om aan
appellant niet eerder dan met ingang van 1 maart 1999 een toeslag te
verlenen op de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm in rechte
stand houdt.
De Raad is van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord.
Hij stelt daartoe in de eerste plaats vast dat in het besluit van 23
december 1999 correct uitvoering is gegeven aan de op 1 juli 1999 gewijzigde Verordening.
Met betrekking tot de vraag of de raad van de gemeente ’s-Gravenhage
de wijziging van de Verordening verder dan tot 1 maart 1999 had moeten laten terugwerken, stelt de Raad voorop dat het
al dan niet verlenen van terugwerkende kracht aan een (wijziging van
een) verordening een discretionaire bevoegdheid betreft. De rechter
dient bij de beoordeling van het uitoefenen van zulk een bevoegdheid, in
het bijzonder waar het hier gaat om algemeen verbindende voorschriften,
de nodige terughoudendheid te betrachten. Dit betekent voor het
onderhavige geval dat beoordeeld moet worden of de raad van de gemeente
’s-Gravenhage bij afweging van de in aanmerking komende belangen in
redelijkheid heeft kunnen besluiten om de terugwerkende kracht van de
Verordening van 1 juli 1999 te beperken tot 1 maart 1999.
De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de raad van de
gemeente ’s-Gravenhage bij afweging van de betrokken belangen niet in
redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Hij heeft hierbij in
aanmerking genomen dat de wederzijds in aanmerking komende belangen
zorgvuldig zijn geïnventariseerd en afgewogen en dat op basis daarvan
is besloten de wijziging van de toepasselijke bepalingen van de
Verordening niet verder te laten terugwerken dan tot 1 maart 1999,
daarbij aansluiting zoekende bij de datum van de eerder genoemde
uitspraak van de Raad van 2 maart 1999. De gemeente heeft hierbij aan de
ene kant laten meewegen dat het gaat om een bestaansvoorziening op het
niveau van het wettelijk minimum, maar anderzijds ook dat de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitdrukkelijk het standpunt
huldigde dat verdere terugwerkende kracht dan tot 2 maart 1999 niet was
geboden en dat kosten, verband houdende met een verdergaande
terugwerkende kracht, door het Rijk niet zouden worden vergoed. Voorts
is daarbij op grond van door de gemeente extern ingewonnen juridisch
advies meegewogen dat twijfel mogelijk is over de juistheid van het
standpunt van de Minister, maar ook dat met een juridische procedure
daarover veel tijd en geld gemoeid zou zijn, zonder dat de uitkomst van
die procedure zeker was. Tenslotte is door de gemeente meegewogen dat
niet buiten beschouwing kan blijven dat bijstandsgerechtigden, zoals
appellant, geen rechtsmiddel hebben aangewend tegen het aanvankelijke
besluit waarbij een toeslag is onthouden, zodat ook haar rechtszekerheid
aan de orde is.
Dit betekent dat er geen grond is voor het oordeel dat gedaagde de
toeslag met voorbijgaan aan de Verordening op een eerder tijdstip had
moeten laten ingaan.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad niet
tot een ander oordeel kunnen brengen.
Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Aangezien het bestreden besluit in stand blijft dient het verzoek om
schadevergoeding van appellant te worden afgewezen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van P.N.
Rijnsewijn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari
2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.N. Rijnsewijn.
|
|