|
Uitspraak
01/4162
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie
van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de
Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. Thans berust die bevoegdheid
bij het College. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan
de Commissie Sociale Zekerheid.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Den
Haag van 15 juni 2001, reg.nr. 00/4306 ABW.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft vervolgens nog nadere stukken in geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van 30 maart 2004, waar appellant in
persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. M.I.E. Rhuggenaath, werkzaam bij de gemeente Den Haag.
Na de behandeling is gebleken dat het onderzoek niet volledig is
geweest, zodat het onderzoek is heropend.
Aan gedaagde zijn bij brief van 3 mei 2004 vragen gesteld die bij brief
van 18 juni 2004 zijn beantwoord.
Appellant heeft bij brief van 29 augustus 2004 een reactie ingezonden.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een
nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft
gesloten.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, tussen
partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.
Aan appellant, die met ingang van 1 september 1990 een uitkering ontving
ingevolge de Algemene Bijstandswet naar de norm voor een alleenstaande,
is bij besluit van 30 oktober 1996 met ingang van 1 november 1996,
feitelijk ingaande 1 april 1997, een uitkering toegekend op grond van de
Algemene bijstandswet (Abw), eveneens naar de norm voor een
alleenstaande. Gedaagde heeft daarbij bepaald dat recht bestaat op
bijstand ter hoogte van 50 procent van het netto minimumloon. Gedaagde
heeft daarbij overwogen dat appellant geen recht heeft op een toeslag
omdat hij (als meerderjarige) bij zijn moeder inwoont. Daarbij is
toepassing gegeven aan artikel 4 van de Verordening toeslagen en
verlagingen bijstandsnorm van 12 december 1995 (hierna: de Verordening),
inhoudende dat aan de alleenstaande die bij zijn of haar ouder(s)
inwoont geen toeslag op de in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a,
van de Abw bedoelde bijstandsnorm wordt verstrekt.
Appellant heeft tegen het besluit van 30 oktober 1996 een bezwaarschrift
ingediend, waarna hem bij nader besluit, op medisch advies, een toeslag
van 20% is verstrekt op grond van hulpbehoevendheid. Nu appellant tegen
laatstgenoemd besluit geen rechtsmiddel heeft aangewend, heeft hij er in
berust dat hij niet in aanmerking komt voor een toeslag van 14%. Dat
besluit is derhalve in rechte onaantastbaar geworden.
Met ingang van 21 juni 1999 is de aan appellant verstrekte uitkering
ingevolge de Abw beëindigd, omdat appellant over een vermogen beschikte
dat de toenmaals voor hem geldende vermogensgrens overschreed.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 2 maart 1999, reg.nr. 98/6295 ABW,
gepubliceerd in onder meer RSV 1999/163 en USZ 1999/121, geoordeeld dat
de in artikel 38 van de Abw bedoelde verordening, gezien artikel 33,
eerste lid, van de Abw, niet mag inhouden dat een alleenstaande van 21
jaar of ouder, die bij beide ouders, dan wel één van hen, inwoont geen
recht heeft op een toeslag. Hij heeft daarbij overwogen dat in het geval
dat een kind bij zijn ouder(s) inwoont het hebben van enig zogeheten
schaalvoordeel niet kan worden uitgesloten, maar dat in zijn
algemeenheid niet kan worden gezegd dat met betrekking tot het kunnen
delen van de algemeen noodzakelijke bestaanskosten sprake is van een
situatie die op dit punt geheel vergelijkbaar is met die van gehuwden.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de raad van de gemeente Den
Haag de Verordening bij besluit van 1 juli 1999 gewijzigd in
dier voege dat alleenstaande meerderjarige kinderen die bij hun ouder(s)
inwonen met ingang van 1 maart 1999 recht hebben op een toeslag van 14%
van het minimumloon. Vervolgens heeft gedaagde de omvang van het recht
op bijstand van personen die tot deze categorie van
bijstandsgerechtigden behoren met terugwerkende kracht tot 1 maart 1999
ambtshalve gecorrigeerd in die zin dat alsnog toeslag wordt toegekend.
Aan appellant is bij brief van 21 oktober 1999 kennis gegeven van het
besluit om hem met ingang van 1 maart 1999 tot 21 juni 1999 een toeslag
van 14 procent van het netto minimumloon toe te kennen.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit gerichte bezwaar van appellant,
betrekking hebbende op de ingangsdatum van die toeslag, bij besluit van
18 februari 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 18 februari 2000
ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
Gedaagde beroept zich op de formele rechtskracht van het oorspronkelijke
besluit op bezwaar. Van bijzondere omstandigheden die zo klemmend zijn
dat hierop een uitzondering moet worden gemaakt is hem niet gebleken.
Met betrekking tot de wijziging van de Verordening van 1 juli 1999 heeft
hij aangevoerd dat de raad van de gemeente
Den Haag rechtens niet gehouden is daaraan een verdergaande
terugwerkende kracht te verlenen dan tot 1 maart 1999.
De Raad overweegt het volgende.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het besluit om aan
appellant niet eerder dan met ingang van 1 maart 1999 een toeslag te
verlenen op de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm in rechte
stand houdt.
De Raad is van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord.
Hij stelt daartoe in de eerste plaats vast dat in het besluit van 18
februari 2000 correct uitvoering is gegeven aan de op 1 juli 1999
gewijzigde Verordening.
Met betrekking tot de vraag of de raad van de gemeente Den
Haag de wijziging van de Verordening verder dan tot 1 maart 1999 had moeten
laten terugwerken, stelt de Raad voorop dat het al dan niet verlenen van
terugwerkende kracht aan een (wijziging van een) verordening een
discretionaire bevoegdheid betreft. De rechter dient bij de beoordeling
van het uitoefenen van zulk een bevoegdheid, in het bijzonder waar het
hier gaat om algemeen verbindende voorschriften, de nodige
terughoudendheid te betrachten. Dit betekent voor het onderhavige geval
dat beoordeeld moet worden of de raad van de gemeente Den
Haag bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid heeft
kunnen besluiten om de terugwerkende kracht van de Verordening van 1
juli 1999 te beperken tot 1 maart 1999.
De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de raad van de
gemeente Den
Haag bij afweging van de betrokken belangen niet in
redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Hij heeft hierbij in
aanmerking genomen dat de wederzijds in aanmerking komende belangen
zorgvuldig zijn geïnventariseerd en afgewogen en dat op basis daarvan
is besloten de wijziging van de toepasselijke bepalingen van de
Verordening niet verder te laten terugwerken dan tot 1 maart 1999,
daarbij aansluiting zoekende bij de datum van de eerder genoemde
uitspraak van de Raad van 2 maart 1999. De gemeente heeft hierbij aan de
ene kant laten meewegen dat het gaat om een bestaansvoorziening op het
niveau van het wettelijk minimum, maar anderzijds ook dat de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitdrukkelijk het standpunt
huldigde dat verdere terugwerkende kracht dan tot 2 maart 1999 niet was
geboden en dat kosten, verband houdende met een verdergaande
terugwerkende kracht, door het Rijk niet zouden worden vergoed. Voorts
is daarbij op grond van door de gemeente extern ingewonnen advies
meegewogen dat twijfel mogelijk is over de juistheid van het standpunt
van de Minister, maar ook dat met een juridische procedure daarover veel
tijd en geld gemoeid zou zijn, zonder dat de uitkomst van die procedure
zeker was. Tenslotte is door de gemeente meegewogen dat niet buiten
beschouwing kan blijven dat bijstandsgerechtigden, zoals appellant, geen
rechtsmiddel hebben aangewend tegen het besluit waarbij een toeslag van
14% is onthouden, zodat ook haar rechtszekerheid aan de orde is.
Dit betekent dat er geen grond is voor het oordeel dat gedaagde de
toeslag met voorbijgaan aan de Verordening op een eerder tijdstip had
moeten laten ingaan.
Hetgeen appellant in zijn aanvullend hoger beroepschrift, ter zitting
van de Raad en in zijn reactie op gedaagdes brief van 18 juni 2004 naar
voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen
brengen.
De Raad merkt ter aanvulling nog op dat hij zich wat de gestelde
onjuiste berichtgeving in de Haagsche Courant betreft geheel kan vinden
in de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieraan
heeft gewijd.
Voorts is de Raad niet gebleken dat appellant van de zijde van gedaagde
uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn
gedaan die bij appellant de gerechtvaardigde verwachting gewekt kunnen
hebben dat hij reeds ingaande 1 januari 1996, dan wel 1 april 1997, in aanmerking zou komen voor de
betreffende toeslag.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en
dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van P.N.
Rijnsewijn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari
2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.N. Rijnsewijn.
|
|