|
Uitspraak
03/3113
NABW en 03/3114 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 mei
2003, reg.nr. 02/1240 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken aan de
Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 december 2005, waar
appellanten - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.H.L. Bovee, werkzaam bij
de gemeente Venlo.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten ontvingen sedert 1989 een bijstandsuitkering, laatstelijk
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Naar aanleiding van ingekomen informatie over eigendom van onroerend
goed van appellanten in Turkije is door de sociale recherche een
onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten
verleende bijstand. In het kader daarvan is onder meer onderzoek ter
plaatse in de provincie Izmir in Turkije verricht, heeft huiszoeking
plaatsgevonden en zijn appellanten en getuigen gehoord.
Op grond van de resultaten van het onderzoek, waarvan de bevindingen
zijn neergelegd in een rapport van 9 juli 2002, heeft gedaagde bij
besluit van 27 augustus 2002 het recht op bijstand van appellanten over
de periode van 1 juli 1997 tot 1 juni 2002 herzien (lees: ingetrokken)
en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van €
74.826,34 van hen teruggevorderd. Gedaagde heeft daaraan in het
bijzonder ten grondslag gelegd dat appellanten in genoemde periode over
een vermogen hebben beschikt dat de toepasselijke grens van het vrij te
laten vermogen overschreed en dat zij dit vermogen voor gedaagde hebben
verzwegen.
Bij besluit van 5 november 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 27 augustus 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 5 november 2002 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 42 van de Abw worden tot de middelen gerekend alle
vermogens- en inkomensbestanddelen waarover het gezin of de
alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad rechtvaardigt het feit dat de
eigendom van een onroerend goed is geregistreerd op naam van een
uitkeringsgerechtigde de veronderstelling dat dit onroerend goed een
bestanddeel vormt van diens vermogen. In een dergelijke situatie is het
aan de belanghebbende om in genoegzame mate aan te tonen dat het
tegendeel het geval is.
Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant daarin
niet is geslaagd. Volgens gegevens uit het Turkse kadaster is appellant
eigenaar van een perceel bouwgrond gelegen in de wijk Gültepe van Izmir.
Verder is gebleken dat op naam van appellant aldaar in 1998 aangifte
voor onroerendgoedbelasting is gedaan voor de op deze grond gebouwde
opstallen, bestaande uit een bedrijfsruimte en twee appartementen, onder
aantekening bij twee van de vermelde opstallen dat sprake is van
belastingbetaling vanaf 1 januari 1993. Gelet daarop en bij gebreke van
andersluidende kadastrale gegevens of van een wijziging in de
eigendomssituatie in de periode tot 1 juni 2002, heeft gedaagde op goede
gronden aangenomen dat appellant gedurende de in geding zijnde periode
eigenaar was van de grond en van de opstallen.
Aan de door appellanten overgelegde verklaring van het 25e Notariaat te
Izmir van 25 september 2002 kan ook de Raad niet de door hen gewenste
bewijskracht toekennen. Volgens de vertaling van het notariële document
gaat het om “vaststelling van een verklaring in de geregelde vorm”,
waarin - zakelijk weergegeven - appellant en twee broers van hem
verklaren dat, ondanks het feit dat het onroerend goed in het kadaster
is geregistreerd op naam van appellant, zij in werkelijkheid tijdens de
aankoop van de bouwgrond ieder voor een gelijk deel de aankoopsom hebben
betaald en daardoor ieder eigenaar van 1/3 deel van dit onroerend goed
zijn. Naar het oordeel van de Raad is deze uit de mond van betrokkenen
opgetekende verklaring onvoldoende objectief om in deze als bewijs te
kunnen dienen. Deze verklaring vindt voorts op geen enkele wijze steun
in objectieve gegevens, zoals kadastrale gegevens of documenten
betreffende de destijds plaatsgehad hebbende vermogensoverdracht. De
verklaring wijkt bovendien af van de aanvankelijke mededeling van
appellant dat hij al sedert ruim 20 jaar eigenaar van het betrokken
perceel is. Appellant heeft hiervoor geen deugdelijke verklaring kunnen
geven.
De zich onder de gedingstukken bevindende huurovereenkomst brengt de
Raad niet tot een ander oordeel. Deze overeenkomst brengt immers geen
wijziging in de eigendomssituatie van de onroerende goederen. Dat niet
appellant maar zijn twee broers bij de overeenkomst feitelijk als
verhuurders zijn opgetreden maakt dat niet anders.
De Raad ziet in de gedingstukken geen grondslag voor het oordeel dat
voor de in geding zijnde periode niet mag worden uitgegaan van een
getaxeerde waarde van de grond met opstallen van ten minste €
60.000,--
Reeds het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellanten
gedurende de gehele in geding zijnde periode beschikten of
redelijkerwijs konden beschikken over vermogen dat ruimschoots lag boven
de in die periode toepasselijke vermogensgrens, zodat daarin een
beletsel voor bijstandsverlening was gelegen. Zij hebben daarvan in
strijd met de op hen ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw
rustende inlichtingenverplichting geen mededeling gedaan aan gedaagde.
Het niet nakomen van die verplichting heeft ertoe geleid dat aan
appellanten over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is
verleend. Gedaagde was derhalve op grond van artikel 69, derde lid,
aanhef en onder a, van de Abw gehouden om met ingang van 1 juli 1997 tot
intrekking van het recht op bijstand over te gaan. Het betoog van
appellanten dat gedaagde van dit standpunt is teruggekomen aangezien
gedaagde bij besluit van 13 januari 2003 aan appellanten wederom
bijstand heeft verleend slaagt niet, nu de toekenning van deze uitkering
met ingang van 29 oktober 2002 ziet op een latere periode dat hier in
geding. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van
de Abw op grond waarvan gedaagde van intrekking kon afzien, is de Raad
niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden
voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde
gehouden was over te gaan tot terugvordering van appellanten van de over
de periode van 1 juli 1997 tot 1 juni 2002 gemaakte kosten van bijstand.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw,
op grond waarvan gedaagde bevoegd was geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien, is de Raad evenmin gebleken.
Het hoger beroep van appellanten slaagt dan ook niet. De aangevallen
uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van
mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
1 februari 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R. van den Munckhof.
|
|