|
Uitspraak
03/2810
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Sint-Michielsgestel, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. dr. C.C.J. Aarts, advocaat te Schijndel,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter
van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 mei 2003, reg.nrs. 03/791 en
03/1196.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 3 december 2004 en 6 december 2004 heeft appellant
nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 december 2004. Appellant is
verschenen, bijgestaan door mr. H.M.A. van den Bogaard, advocaat te
Schijndel. Gedaagde heeft zich
niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt allereerst vast dat de bij de brief van 6 december 2004
ingezonden nadere stukken niet zijn ingediend binnen de termijn, bedoeld
in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Mede gelet op het feit dat gedaagde zich niet ter zitting heeft laten
vertegenwoordigen, zal de Raad deze stukken niet bij zijn beoordeling
betrekken.
De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting,
uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Appellant, afkomstig uit Sri Lanka, heeft - door middel van een
eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] - gehandeld in sieraden en
edelstenen. Met ingang van 31 december 2001 heeft appellant het bedrijf
beëindigd. Vervolgens heeft appellant op 1 maart 2002 een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) aangevraagd, die hem bij
besluit van 11 april 2002 met ingang van de datum van aanvraag door gedaagde is
toegekend.
Omdat gedaagde er niet van overtuigd was dat hij over alle voor de
bijstandsverlening van belang zijnde gegevens beschikte, heeft hij door
de Sociale Recherche van de gemeente Sint-Michielsgestel een nader
onderzoek doen instellen. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek
heeft gedaagde vastgesteld dat appellant geen volledige informatie heeft
verstrekt over zijn financiële situatie na de beëindiging van het
bedrijf. Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde bij besluit van 10 juli
2002 het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2002
ingetrokken en de kosten van de aan appellant over de periode van 1
maart 2002 tot 1 juni 2002 verstrekte bijstand ten bedrage van €
4.741,75 van hem teruggevorderd.
In het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft gedaagde appellant bij
brief van 11 oktober 2002 in de gelegenheid gesteld nadere informatie te
verschaffen. Naar aanleiding daarvan heeft appellant bij brief van 9
december 2002 een groot aantal stukken aan gedaagde gezonden met
betrekking tot zijn financiële situatie en de afwikkeling van het
bedrijf. Op 11 december 2002 heeft appellant nog enkele nadere stukken overgelegd.
Bij besluit op bezwaar van 4 maart 2003, verzonden op 13 maart 2003,
heeft gedaagde het besluit van 10 juli 2002 vervolgens gehandhaafd.
Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet - volledig - heeft
voldaan aan de ingevolge artikel 65 van de Abw op hem rustende
inlichtingenverplichting, door geen volledige informatie aan gedaagde te
verstrekken en geen volledige duidelijkheid te verschaffen omtrent zijn
financiële situatie. Daarbij heeft gedaagde in het bijzonder het oog
gehad op de (waarde van de) voorraad sieraden waarover appellant, privé,
nog de beschikking bleek te hebben. Als gevolg van het niet naar behoren
nakomen van de inlichtingenverplichting heeft gedaagde naar zijn oordeel
het recht op uitkering van appellant met ingang van de datum van
aanvraag (1 maart 2002) niet kunnen vaststellen, zodat het recht moet
worden ingetrokken en de ten onrechte betaalde bijstand teruggevorderd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank, voorzover hier van belang, het standpunt van gedaagde
onderschreven en het beroep tegen het besluit van 4 maart 2003 ongegrond
verklaard. De voorzieningenrechter heeft daarbij doorslaggevende
betekenis toegekend aan de vaststelling dat appellant ontoereikende en
tegenstrijdige informatie heeft gegeven omtrent de (waarde van de)
sieraden.
Naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep aangevoerde
grieven komt de Raad tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, doet de belanghebbende aan
burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de
duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt
betaald.
Op grond van artikel 65, derde lid, van de Abw is de belanghebbende
verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te
verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Abw.
In artikel 66, tweede lid, eerste volzin, van de Abw is bepaald dat
burgemeester en wethouders de juistheid en volledigheid van de verkregen
gegevens onderzoeken en zo nodig een onderzoek instellen naar andere
gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting
van bijstand.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 2 december 2003 (LJN: AO6767, gepubliceerd in JWWB 2004, nr. 40) moet uit dit samenstel
van bepalingen worden afgeleid dat de wetgever bij de vaststelling van
(de voortzetting van) het recht op bijstand voorop heeft gesteld de
inlichtingen- en medewerkingsplicht van de belanghebbende zelf, maar er
tevens in heeft voorzien dat in bepaalde - van het concrete geval
afhankelijke - omstandigheden van burgemeester en wethouders het
verrichten van nader onderzoek kan worden gevergd.
De Raad stelt in dit verband allereerst vast dat appellant vrijwel
geheel heeft voldaan aan het verzoek in de brief van gedaagde van 11
oktober 2002 om overlegging van de daarin vermelde bewijsstukken. Het
gevraagde bewijsstuk dat appellant niet heeft overgelegd, is een door
een beëdigd taxateur opgemaakt taxatierapport van de in het bezit van
appellant zijnde sieraden. Door het ontbreken van een dergelijk rapport
is de door gedaagde gewenste duidelijkheid omtrent de precieze financiële
situatie van appellant niet verkregen. Gelet hierop heeft gedaagde zich
- op zichzelf - terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van het
besluit van 4 maart 2003 onvoldoende inzicht in de feitelijke
vermogenssituatie van appellant bestond, terwijl ook thans nog geen
volledige helderheid is verkregen. Naar het oordeel van de Raad lag het
in de gegeven omstandigheden echter op de weg van gedaagde om, gelet ook
op de inhoud van de hiervoor vermelde door appellant - wel - overgelegde
bewijsstukken (waaronder de pandbewijzen van de door appellant bij de
Stadsbank van lening te Amsterdam beleende sieraden), een - diepergaand
- nader onderzoek te doen instellen. In het bijzonder had het naar het
oordeel van de Raad voor de hand gelegen dat gedaagde, teneinde het
recht op uitkering te kunnen vaststellen, inspanningen had verricht om,
mede aan de hand van de pandbrieven en desgewenst bijgestaan door een
taxateur, de waarde van de sieraden te (doen) bepalen. Nu een dergelijk
onderzoek niet heeft plaatsgevonden, kon in feite geen onderbouwd
besluit over het recht op bijstand van appellant per 1 maart 2002 worden
genomen, zodat moet worden vastgesteld dat het besluit van 4 maart 2003
in zoverre niet op een deugdelijke motivering berust.
De Raad overweegt vervolgens dat het besluit van 4 maart 2003 eveneens
niet op een deugdelijke motivering berust voorzover gedaagde zich
daarbij - impliciet - op het standpunt heeft gesteld dat de door
appellant opgevoerde, uit de beëindiging van zijn bedrijf
voortgevloeide, schuldenlast onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Het
besluit van 4 maart 2003, ook bezien in samenhang met de overige
gedingstukken, biedt geen inzicht in de gronden die gedaagde ertoe
hebben gebracht de gestelde schulden niet in de vaststelling van het
vermogen te betrekken.
Uit het voorgaande vloeit voort dat gedaagde niet kon volstaan met het
handhaven van zijn in het besluit van 10 juli 2002 neergelegde standpunt
dat als gevolg van schending door appellant van de
inlichtingenverplichting niet is vast te stellen of appellant met ingang
van 1 maart 2002 recht op een bijstandsuitkering had, zodat het recht
moet worden ingetrokken en de betaalde bijstand teruggevorderd. Met
vernietiging van de aangevallen uitspraak zal de Raad daarom, doende
hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren
en het besluit van 4 maart 2003 wegens strijd met artikel 7:12, eerste
lid, eerste volzin, van de Awb vernietigen.
Nu de Raad op grond van de beschikbare gegevens niet kan beoordelen of
er aanleiding is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 4
maart 2003 in stand te laten, zal gedaagde een nieuw besluit op bezwaar
moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak
heeft overwogen. Dat betekent dat gedaagde allereerst dient na te gaan
en dient te onderbouwen of, en zo ja in hoeverre, het bestaan van de
gestelde schulden aannemelijk is. Indien dit gelet op de bevindingen dan
nog nodig is, dient gedaagde vervolgens ten aanzien van de waarde van de
sieraden het hiervoor omschreven nadere onderzoek in te stellen.
Voor de goede orde wijst de Raad erop dat van appellant op grond van de
ingevolge artikel 65, derde lid, van de Abw op hem rustende verplichting
mag worden verlangd dat hij de nodige medewerking verleent teneinde de
vereiste duidelijkheid te verkrijgen.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 4 maart 2003;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.288,--, te betalen door de gemeente Sint-Michielsgestel aan de
griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Sint-Michielsgestel aan appellant het betaalde
griffierecht van in totaal € 118,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. 't
Hooft en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D.
Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari
2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.
|
|