|
Uitspraak
03/2576
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie
van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de
Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid. Als gevolg van
een gemeentelijke herindeling treedt in dit geding gedaagde in de plaats
van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige
gemeente Leidschendam respectievelijk Leidschendam-Voorburg. In deze
uitspraak wordt onder gedaagde dan ook mede verstaan het College van
burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam en van
Leidschendam-Voorburg.
Namens appellant heeft mr. M. Jonkman, advocaat te ’s-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 8 april 2003, reg.nr. 02/1381 ABW.
Voorts heeft de gemachtigde van appellant nadere stukken aan de Raad
gezonden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nog
informatie alsmede nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is, gevoegd met de gedingen in de zaken 04/1011 NABW en
03/3603 NABW, behandeld ter zitting van 7 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. E.A.C. van Kempen, advocaat te ’s-Gravenhage, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis,
werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Na de behandeling ter zitting
zijn de gedingen in de genoemde zaken weer gesplitst.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving van de gemeente ’s-Gravenhage een uitkering
ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww), welke
uitkering met ingang van 1 mei 1996 is omgezet in een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een
alleenstaande ouder. Na verhuizing van de [adres] te [woonplaats] naar
het [adres 2] te [woonplaats 2], heeft het College van burgemeester en
wethouders van de gemeente Leidschendam naar aanleiding van de aanvraag
van appellant van 17 januari 2000 bij besluit van 13 maart 2000 hem met
ingang van 17 januari 2000 een uitkering ingevolge de Abw toegekend naar dezelfde
norm.
Naar aanleiding van een ingekomen signaal dat appellant samenwoonde met
[B.] (verder: [B.]) is door de Sociale Recherche Voorburg een onderzoek
ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende
bijstand. In het kader van dat onderzoek zijn onder meer observaties
verricht nabij de woning van appellant, is dossieronderzoek gedaan en
zijn appellant, [B.] en getuigen gehoord.
Op grond van de resultaten van het onderzoek, waarvan de bevindingen
zijn neergelegd in een rapport van 24 juli 2001, heeft het College van
burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam geconcludeerd
dat appellant op zijn woonadres met [B.] een gezamenlijke huishouding
heeft gevoerd, waarvan appellant aan hem geen mededeling heeft gedaan.
Het College heeft daarin aanleiding gezien om bij besluit van 14
augustus 2001 het recht op bijstand van appellant ingaande 17 januari
2000 in te trekken. Voorts is in dit besluit aan appellant meegedeeld
dat ook zijn aanvraag van 5 juli 2000 voor bijzondere bijstand
vooralsnog om die reden wordt afgewezen.
Het tegen het besluit van 14 augustus 2001 gemaakte bezwaar heeft het
College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Leidschendam-Voorburg bij besluit van 11 maart 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 11 maart 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
In de eerste plaats stelt de Raad vast dat het besluit van 11 maart 2002
is genomen door het College van burgemeester en wethouders van de
gemeente Leidschendam-Voorburg, terwijl het adres van appellant als
gevolg van een gemeentelijke herindeling met ingang van 1 januari 2002
onder de gemeente ’s-Gravenhage valt. Ingevolge artikel 44, derde lid,
van de Wet algemene regels herindeling (Wet ARH) worden wettelijke
procedures en gedingen waarbij een gemeente, waarvan gebied overgaat,
betrokken is, met ingang van de datum van herindeling voortgezet door of
tegen de gemeente waaraan dat gebied is toegevoegd. Dit betekent dat ten
tijde van het besluit van 11 maart 2002 niet het College van
burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg, maar
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente ’s-Gravenhage bevoegd
was om op het bezwaar van appellant ten aanzien van zijn recht op
bijstand te beslissen. Anders dan de rechtbank ziet de Raad hierin
aanleiding het besluit van 11 maart 2002 als onbevoegd genomen te
vernietigen. Dit brengt mee dat de Raad, met vernietiging van de
aangevallen uitspraak, het beroep tegen het besluit van 11 maart 2002
gegrond zal verklaren.
Nu het bevoegde orgaan het onbevoegdelijk genomen besluit van 11 maart
2002 voor zijn rekening heeft genomen, kan het geding materieel worden
beslecht. Daartoe heeft de Raad te beoordelen of met toepassing van
artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te
vernietigen besluit van 11 maart 2002 in stand kunnen worden gelaten.
Deze vraag beantwoordt de Raad op grond van het volgende bevestigend.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke
huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw is
bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt
geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde
woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft
plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
Niet in geschil is dat uit de relatie tussen appellant en [B.] twee
kinderen zijn geboren die door appellant zijn erkend. Dit betekent dat
voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezamenlijke
huishouding doorslaggevend is of appellant en [B.] ten tijde hier van
belang hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.
De Raad is op grond van de onderzoeksbevindingen van de sociale
recherche van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat
appellant en [B.] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in de
woning van appellant aan het [adres 2]. Daarbij heeft de Raad in
aanmerking genomen dat appellant zelf heeft verklaard dat [B.] een
sleutel heeft van zijn huis en toch wel elke dag bij hem is en dat zij
in zijn huis activiteiten verricht als opruimen, schoonmaken, strijken
en dergelijke. Voorts acht de Raad van belang dat buurtbewoners hebben
verklaard dat op het [adres 2] vanaf het begin appellant, [B.] en twee
kinderen hebben gewoond. De Raad kent verder betekenis toe aan de
verklaring van wijkagent Hoeve waaruit naar voren komt dat [B.] aangifte
heeft gedaan van vernieling van de voordeur van de woning van appellant
en dat zij, toen Hoeve bij die woning arriveerde, aan het schoonmaken
was en aangaf niet tegen stof in haar huis te kunnen. Evenzo komt
betekenis toe aan de verklaring van wijkagent S. Duit dat [B.] meestal
de telefoon opneemt wanneer hij appellant belt en dat zij kandidaat
heeft gestaan voor de wijkvereniging.
Appellant heeft betoogd dat [B.] hem met enige regelmaat thuis bezocht
in verband met hun gezamenlijke kinderen die vanwege de lichamelijke en
vooral psychische problemen van [B.] bij hem zijn gaan wonen. Door haar
geestestoestand is [B.] niet vaak in haar eigen woning aan te treffen.
Zij zwerft op straat, verblijft ook wel bij vriendinnen en is een aantal
malen in een inrichting opgenomen geweest. De verklaringen die appellant
in hoger beroep ter onderbouwing van dit betoog heeft overgelegd, bieden
naar het oordeel van de Raad onvoldoende steun voor de stelling dat [B.]
niet in de woning van appellant maar elders haar hoofdverblijf heeft
gehad. Daartoe neemt de Raad in het bijzonder in aanmerking dat blijkens
de verklaring vanwege Parnassia te ’s-Gravenhage [B.] vanaf november
1996 weliswaar meerdere malen, in totaal 16 keer, opgenomen is geweest
maar steeds slechts voor een kortdurende periode.
Het voorgaande brengt mee dat appellant en [B.] ten tijde in geding een
gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, vierde lid
aanhef en onder b, van de Abw. Door hiervan geen melding te maken, heeft
appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in
artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden.
Gedaagde was derhalve op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en
onder a, van de Abw gehouden om over te gaan tot intrekking van het
recht van appellant op bijstand met ingang van 17 januari 2000. Vanwege
het bestaan van een gezamenlijke huishouding was appellant immers niet
als een zelfstandig subject van bijstand aan te merken, zodat geen recht
op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder bestond. Van
dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op
grond waarvan gedaagde bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van
intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken. Nu voorts wegens
schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijzondere
bijstand niet vastgesteld kan worden, is op goede gronden de aanvraag om
bijzondere bijstand afgewezen.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de
kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het
hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 11 maart 2002;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de
griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het in beroep en
in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 116,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. H.J. de
Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C.
de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|