|
Uitspraak
02/6410
NABW en 02/6411 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Hertogenbosch van 7 november 2002, reg.nr. 01/2121 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2005, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar, en waar
gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten ontvingen een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) naar de norm voor gehuwden, onder korting van inkomsten van
appellant tot een bedrag van f. 433,33 per maand.
De Unit Bijzonder Onderzoek van de Dienst Werk, Zorg en Inkomen van de
gemeente Eindhoven heeft onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de
aan appellanten versterkte bijstandsuitkering. In dat kader zijn onder
meer observaties verricht en appellant en diens broer [naam broer]
gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport
van 2 april 2001. Gedaagde is op grond van deze bevindingen tot de
conclusie gekomen dat appellanten de ingevolge artikel 65, eerste lid,
van de Abw op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden
door aan gedaagde geen volledige mededeling te doen van de door
appellant verrichte werkzaamheden.
Bij besluit van 11 april 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van
appellanten over de periode van 5 oktober 2000 tot en met 28 februari
2001 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot
een bedrag van f 7.819,16 van hen teruggevorderd. Daaraan heeft gedaagde
ten grondslag gelegd dat ten gevolge van de schending van de
inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellanten over die
periode niet kan worden vastgesteld.
Bij besluit van 31 juli 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 11 april 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 31 juli 2001 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd. Daarbij is aangegeven dat appellant erkent dat hij in de
periode vanaf half december 2000 tot 28 februari 2001 meer werkzaamheden
in de papierhandel van zijn broer heeft verricht dan de door hem
opgegeven 10 uur per week. Voor het overige kan zijn aanwezigheid op het
bedrijf van zijn broer worden verklaard uit de hechte familieband van de
familie [naam familie] waarbij het bedrijf van zijn broer als
ontmoetingsplaats fungeert.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat de bevindingen in het rapport van 2 april 2001
toereikend zijn voor de conclusie dat appellant ook buiten de door hem
erkende periode veel meer op geld waardeerbare werkzaamheden heeft
verricht in en ten behoeve van Papierhandel [naam broer] B.V. dan de
door hem opgegeven 10 uren per week. De Raad kent daarbij, evenals
gedaagde, zwaarwegende betekenis toe aan het tijdens de observaties
vastgestelde patroon van aanwezigheid van appellant in het bedrijf van
zijn broer en aan het feit dat tijdens de observaties is waargenomen dat
appellant ook daadwerkelijk werkzaamheden verricht. Het patroon van
aanwezigheid komt nagenoeg overeen met een volledige werkdag en een
vijfdaagse werkweek. Voorts neemt de Raad in aanmerking hetgeen [naam
broer] op 12 maart 2001 tegenover de opsporingsambtenaren heeft
verklaard over de activiteiten van appellant in zijn bedrijf.
Doordat appellanten van de werkelijke omvang van de werkzaamheden van
appellant niet onverwijld mededeling aan gedaagde hebben gedaan, hebben
zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende
inlichtingenverplichting geschonden. Hierdoor is onduidelijkheid
ontstaan over de exacte omvang van de werkzaamheden en het inkomen dat
appellant daarmee heeft verdiend dan wel redelijkerwijs had kunnen
verdienen. Gedaagde heeft zich naar het oordeel van de Raad terecht op
het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of appellanten in
de in geding zijnde periode nog verkeerden in omstandigheden als bedoeld
in artikel 7, eerste lid, van de Abw.
In het voorgaande ligt besloten dat gedaagde gehouden was met toepassing
van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw tot intrekking
van het recht op bijstand over te gaan. Van dringende redenen als
bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk
van intrekking af te zien is de Raad niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden
voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde
gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over
de periode van 5 oktober 2000 tot 28 februari 2001 over te gaan. Van
dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw om
geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet
gebleken.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. R.
van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15
februari 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R. van den Munckhof.
|
|