|
Uitspraak
02/2872 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Geldrop-Mierlo, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP
VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. C.A.L. Keijzers, advocaat te Tilburg, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch
van 18 april 2002, reg.nr. AWB 00/6890.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2005, waar appellant
en zijn echtgenote zijn verschenen, bijgestaan door mr. Keijzers, en
waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.H.B.G.
Teuwissen, werkzaam bij de gemeente Geldrop-Mierlo.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontvangt al geruime tijd een bijstandsuitkering, laatstelijk
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.
Naar aanleiding van enkele anonieme tips dat appellant werkzaamheden
verricht en over vermogen in het buitenland beschikt, heeft de Sociale
Recherche regio Helmond een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid
van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer
dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij derden en
observaties verricht, en zijn appellant en enkele getuigen gehoord. De
bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20
april 2000.
Op grond daarvan heeft gedaagde onder meer geconcludeerd dat appellant
in de periode van 1 mei 1997 tot en met 31 maart 2000 periodieke
betalingen van zijn zoon heeft ontvangen en dat hij in de maand november
1999 inkomsten uit arbeid heeft genoten, waarvan hij niet dan wel niet
volledig melding aan gedaagde heeft gemaakt.
Rekening houdend met de hiervoor bedoelde betalingen en inkomsten, heeft
gedaagde bij besluit van 22 mei 2000 - voorzover in dit geding van
belang - het recht op bijstand over de gehele hiervoor genoemde periode
herzien, en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 mei
1997 tot en met 31 december 1999 tot een bedrag van f 11.217,23 en over
de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2000 tot een bedrag
van f 665,79 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 24 augustus 2000
- voorzover thans van belang - heeft gedaagde de daartegen gemaakte
bezwaren ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 24 augustus 2000 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met betrekking tot de inkomsten over november 1999
Appellant heeft aan gedaagde opgegeven dat hij in deze maand voor in
Stiphout verrichte werkzaamheden een bedrag van f 600,-- heeft
ontvangen. Dit bedrag is destijds verrekend met de uitkering van
appellant. Tussen partijen staat thans vast dat appellant deze
werkzaamheden met anderen heeft verricht, dat appellant van de
opdrachtgever een bedrag van f 1.200,-- heeft ontvangen, en dat hij
daarvan aan twee anderen in totaal f 400,-- heeft doorbetaald. Appellant stelt dat hij daarnaast nog aan
een derde, niet bij naam genoemde persoon een bedrag heeft doorbetaald.
Een bewijsstuk van deze transactie is evenwel niet voorhanden. Naar het
oordeel van de Raad heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld
dat, mede in aanmerking genomen dat appellant niet bereid is de naam van
deze derde persoon prijs te geven, deze doorbetaling niet kan worden
geverifieerd. Dat brengt ook volgens de Raad met zich dat voor deze
werkzaamheden een bedrag van f 800,-- aan appellant moet worden
toegerekend. Gedaagde heeft derhalve terecht alsnog een bedrag van f
200,-- in aanmerking genomen bij de bepaling van het recht op bijstand
over deze maand.
Appellant heeft destijds tevens werkzaamheden verricht in Vierlingsbeek,
naar hij stelt vanaf 29 november 1999. In de gedingstukken kan naar het
oordeel van de Raad evenwel een toereikende grondslag worden gevonden
voor het standpunt van gedaagde dat appellant daar ook reeds op 25 en 26
november 1999 werkzaamheden heeft verricht. Uit de door de sociale
recherche verrichte observaties blijkt immers dat appellant op beide
dagen in de vroege ochtend met zijn auto vanaf zijn woonadres naar
Vierlingsbeek is gereden, waar hij zijn auto heeft geparkeerd in een
doodlopende staat, de Vrijthof, in de nabijheid van een bouwplaats.
Daarbij was hij telkens vergezeld van een of meer anderen. Op 26
november 1999 is bovendien waargenomen dat appellant daar aan het werk
was; daarvan is een foto voorhanden. Op de daarop volgende werkdagen is
sprake van - goeddeels - dezelfde gang van zaken en van het verrichten
van werkzaamheden op dezelfde bouwplaats. In het licht van deze feiten
en omstandigheden heeft gedaagde terecht aangenomen dat appellant (ook)
op 25 en 26 oktober 1999 werkzaamheden heeft verricht en daaruit
inkomsten heeft ontvangen. De Raad ziet geen grond de door gedaagde over
deze dagen becijferde inkomsten van in totaal f 180,-- voor onjuist te
houden. Ook deze inkomsten zijn derhalve terecht betrokken bij de
bepaling van de omvang van het recht op bijstand over november 1999.
Met betrekking tot de betalingen van de zoon van appellant
Appellant en zijn echtgenote hebben in mei 1992 een perceel grond met
een opstal, gelegen in de gemeente Lommel te België (hierna: het
perceel), gekocht voor een bedrag van f 15.000,--. Ten behoeve van deze
aankoop hebben appellant en zijn echtgenote een persoonlijke lening van
f 12.500,-- afgesloten, welke lening door hen via een op hun naam
staande bankrekening in maandelijkse termijnen van f 211,91 is afgelost.
Op 18 oktober 2004 hebben appellant en zijn echtgenote het perceel
verkocht. Gedurende de in geding zijnde periode heeft de bij appellant
inwonende zoon aan appellant maandelijks een betaling gedaan van f
211,91 dan wel van f 221,93.
Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of deze
maandelijkse stortingen behoren tot de middelen van appellant, waartoe
ingevolge artikel 42 van de Abw moeten worden gerekend alle vermogens-
en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt
of redelijkerwijs kan beschikken.
Gedaagde - en ook de rechtbank - heeft deze betalingen aangemerkt als
giften die bij de bijstandsverlening in aanmerking behoren te worden
genomen. Appellant stelt zich op het standpunt dat het perceel feitelijk
toebehoorde aan vier partijen, te weten appellant (samen met zijn
echtgenote), zijn dochter, zijn zoon en zijn schoonmoeder, elk voor een
vierde deel, en dat de betalingen die zijn zoon vanaf mei 1997 aan hem
heeft gedaan moeten worden beschouwd als de aflossing van diens deel van
de lening die appellant voor de aankoop van het perceel is aangegaan,
waarbij de bankrekening van appellant via welke deze lening werd
afgelost in wezen slechts als tussenrekening fungeerde.
Uit de notariële akte van 27 mei 1992 betreffende de aankoop van het
perceel blijkt echter dat als kopers uitsluitend appellant en zijn
echtgenote bij deze transactie zijn betrokken. Appellant en zijn
echtgenote hebben derhalve toen de eigendom van het perceel verkregen.
Uit de gedingstukken blijkt niet dat de eigendom van het perceel nadien,
tot aan de datum waarop het perceel door appellant en zijn echtgenote is
verkocht, in andere handen is overgegaan. De door appellant in beroep
overgelegde, ongedateerde Verklaring van Participatie brengt in de
eigendomsverhouding geen verandering. In hoger beroep heeft appellant
een tussen de hiervoor bedoelde vier partijen gesloten overeenkomst van
1 november 2004 overgelegd, waarin onder meer een regeling is getroffen
ten aanzien van de verdeling tussen hen van de opbrengst van de verkoop
van het perceel. Naar het oordeel van de Raad kan aan die overeenkomst
niet de door appellant gewenste betekenis worden gehecht, reeds omdat -
zo is van de zijde van appellant ter zitting erkend - daarin ten
onrechte is vermeld dat de zoon, de dochter en de schoonmoeder van
appellant destijds ieder aan appellant en zijn echtgenote een bedrag van
f 3.000,-- hebben geleend ten behoeve van de aankoop van het perceel.
Tegen de achtergrond van het voorgaande, is voor de Raad niet
aannemelijk geworden dat de in geding zijnde betalingen van de zoon van
appellant in feite strekten tot aflossing van meergenoemde lening. Dit
betekent dat hier moet worden gesproken van gelden waarover appellant en
zijn echtgenote naar eigen inzicht konden beschikken. Deze gelden moeten
naar het oordeel van de Raad worden gerekend tot de in aanmerking te
nemen middelen van appellant. Zij kunnen niet worden beschouwd als
giften, die met toepassing van artikel 44 van de Abw bij de vaststelling
van het recht op bijstand niet in aanmerking behoeven te worden genomen,
maar dienen te worden aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 47,
eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw. Daarbij neemt de Raad in
aanmerking dat - zoals ter zitting is komen vast te staan - appellant
aan deze inwonende, verdienende zoon gedurende de in geding zijnde
periode kost en inwoning verschafte, waar geen andere dan de onderhavige
maandelijkse betalingen tegenover stonden.
Gedaagde heeft derhalve ook de maandelijkse betalingen van de zoon van
appellant op zichzelf bezien terecht betrokken bij de bepaling van de
omvang van het recht op bijstand over de in geding zijnde periode.
Van de hiervoor besproken inkomsten en betalingen heeft appellant niet,
dan wel niet volledig, mededeling aan gedaagde gedaan, waarmee appellant
in strijd heeft gehandeld met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van
de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting. Dit heeft ertoe geleid
dat aan appellant over de in geding zijnde periode tot een te hoog
bedrag aan bijstand is verleend. Gedaagde heeft derhalve terecht
besloten het recht op bijstand over deze periode te herzien. Over de
periode vanaf 1 juli 1997 was gedaagde daartoe op grond van artikel 69,
derde lid, van de Abw bovendien verplicht. De Raad is niet gebleken van
dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op
grond waarvan gedaagde bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van
herziening af te zien.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden
voor terugvordering met toepassing van artikel 81, eerste lid, (tekst
tot en vanaf 1 juli 1997) van de Abw. De Raad ziet in de omstandigheden
van appellant geen dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd
was om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen
uitspraak komt, met verbetering van de gronden, voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. S.W. van Osch-Leysma, in tegenwoordigheid van mr. R. van
den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22
februari 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R. van den Munckhof.
|
|