|
Uitspraak
03/1221
NABW en 03/1222 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. N.C.A. Boots, destijds advocaat te
Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
‘s-Hertogenbosch van 30 januari 2003, reg.nr. 02/1169 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2005, waar
appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Y. van der
Linden, kantoorgenoot van mr. Boots, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. E.J. Govaers en K.M. Dekker, werkzaam bij de
gemeente Eindhoven.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 18 september 1995 heeft gedaagde aan appellante over de
periode van 1 mei 1995 tot 1 februari 1996 ter voorziening in de
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een bijstandsuitkering
toegekend, berekend naar de norm voor een gezin, in de vorm van een
renteloze geldlening ingevolge het Bijstandsbesluit Zelfstandigen (BZ).
Daarbij is appellante er op gewezen dat, teneinde te kunnen beoordelen
of de verstrekte lening diende te worden teruggevorderd dan wel te
worden omgezet in een bedrag om niet, zij de jaarrekening van 1995 zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het
boekjaar bij de afdeling Sociale Zaken moest indienen.
Bij besluit van 17 september 2001 heeft gedaagde met toepassing van
artikel 21 van het BZ aan de hand van de jaarstukken over 1995 van de
als geldlening over dat jaar verstrekte bijstand een bedrag van f
10.885,25 omgezet in een bedrag om niet en vastgesteld dat appellanten
het restant van de lening, zijnde f 7.597,47, dienen terug te betalen.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 april 2002
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 10 april 2002 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben, evenals in bezwaar en beroep, in hoger beroep
aangevoerd dat de in geding zijnde vordering ten tijde van de
besluitvorming van 17 september 2001 op grond van artikel 3:307, eerste
lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is verjaard. Voorts zijn
appellanten van mening dat gedaagde, door tot 17 september 2001 te
wachten met het onderhavige besluit tot definitieve vaststelling van de
bijstand, in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur. Volgens hen is de redelijke termijn als bedoeld in
artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet in acht
genomen. Naar de mening van appellanten kan dat niet zonder gevolgen
voor de onderhavige vordering blijven.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met betrekking tot de verjaring heeft de rechtbank in de aangevallen
uitspraak het volgende overwogen, waar appellanten zijn aangeduid als
eisers en gedaagde is aangeduid als verweerder:
"Het door eisers aangehaalde arrest van de Hoge Raad (JVB
1999,22) ziet op de toepasselijkheid van het eerste lid van artikel 3
:307 BW. Daarin is bepaald dat de verjaringstermijn aanvangt na de dag,
volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
Anders dan in het genoemde arrest, is in het onderhavige geval geen
datum overeengekomen waarop eisers tot terugbetaling gehouden zijn. Het
besluit van 18 september 1995 vermeldt slechts de opdracht aan eisers
om, uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het boekjaar 1995, de jaarstukken in te
leveren, opdat daarna besloten kan worden of tot gehele of gedeeltelijke
terugvordering zal worden overgegaan.
Uit het voorgaande volgt dat sprake is van een verbintenis tot nakoming
na onbepaalde tijd. Derhalve is het tweede lid van artikel 3:307 BW op de
onderhavige geldlening van toepassing. Daarin staat dat in geval van een
verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd de in lid 1 bedoelde termijn
pas loopt van de aanvang van de dag, volgend op die waartegen de
schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan, en verjaart de
in lid 1 bedoelde rechtsvordering in elk geval door verloop van twintig
jaren, na aanvang van de dag, volgend op die waartegen opeising, zonodig
door opzegging van de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was.
Ingevolge het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 november 1999,
gepubliceerd in NJ 2000,67, moet blijkens de wetsgeschiedenis in het
geval een vordering door opzegging opeisbaar wordt gemaakt, aldus worden
uitgelegd dat de verjaringstermijn van twintig jaren loopt van de
aanvang van de dag volgende op die waartegen opgezegd had kunnen
worden."
De Raad is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft
aangenomen dat op de onderhavige geldlening het tweede lid van artikel
3:307 van het BW van toepassing is en onderschrijft de hiervoor
aangehaalde overwegingen van de rechtbank. Ingevolge artikel 3:307,
tweede lid, van het BW loopt de in het eerste lid bedoelde
verjaringstermijn van vijf jaren pas van de aanvang van de dag, volgend
op die waartegen de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te
gaan. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde eerst met
zijn besluit van 17 september 2001, verzonden op 19 september 2001, aan
appellanten heeft meegedeeld tot opeising over te gaan, zodat voormelde
verjaringstermijn van vijf jaren is aangevangen op 20 september 2001.
Hetgeen appellanten in hoger beroep overigens met betrekking tot deze
grond naar voren hebben gebracht, leidt de Raad niet tot een ander
oordeel.
Gelet op hetgeen door appellanten is aangevoerd, dient de Raad
vervolgens de vraag te beantwoorden of de duur van het
behandelingstraject na 1995 tot aan het nemen van het primaire
vaststellingsbesluit van 17 september 2001 in strijd is met het in
artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde
zorgvuldigheidsbeginsel. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Uit
de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de Raad af dat
appellanten na diverse verzoeken van gedaagde eerst medio 2000 de voor
de toepassing van artikel 21, eerste lid, van het BZ benodigde
jaarstukken over 1995, waarvan in het bijzonder de verlies- en winstrekening, aan gedaagde hebben doen toekomen. De Raad heeft in de
gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van het
standpunt van appellanten dat zij op een eerder tijdstip alle benodigde
jaarstukken aan gedaagde hebben verstrekt. Appellanten hebben daarbij
nog gewezen op hun schrijven van 29 mei 1996, doch uit die brief blijkt
evenmin van toezending van bedoelde jaarstukken.
Voorts heeft de Raad in de omstandigheid dat gedaagde na de ontvangst
van de jaarstukken medio 2000 tot 17 september 2001 gewacht heeft met
zijn besluitvorming geen aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat
zich hier het uitzonderlijke geval voordoet dat gedaagde zodanig in
strijd heeft gehandeld met algemene rechtsbeginselen dat toepassing van
een dwingend wettelijke voorschrift als artikel 21 van het BZ geen
rechtsplicht meer kan zijn.
De Raad volgt appellanten niet in hun standpunt dat in dit geval sprake
is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van
het EVRM. Anders dan appellanten hebben aangenomen, dient voor het
aanvangen van die termijn ten minste een standpunt van het
bestuursorgaan voorhanden te zijn dat de betrokkene aanleiding kan geven
een geschil op te werpen. Eerst uit het besluit van 17 september 2001
blijkt dat gedaagde terugbetaling vordert van (een deel van de) over
1995 in de vorm van een renteloze lening toegekende bijstand. De
redelijke termijn vangt in dit geval aan op 24 oktober 2001, de dag dat
gedaagde het door appellanten tegen het besluit van 17 september 2001
gerichte bezwaarschrift heeft ontvangen. Vervolgens heeft de procedure
tot aan de datum van deze uitspraak drie jaar en vier maanden geduurd.
Naar het oordeel van de Raad is een dergelijke periode voor de
afhandeling van de zaak door het bestuursorgaan en de rechter (in twee
instanties) niet zo lang dat moet worden gezegd dat de redelijke termijn
als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM is geschonden.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat
de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. R.
van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15
februari 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R. van den Munckhof.
|
|