|
Uitspraak
02/2726
NABW en 02/2728 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam van 9 april 2002, reg.nrs. 01/1517 NABW en 01/1518 WET.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 januari 2005, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en waar gedaagde
niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, mede gelet op de gedingstukken, uit van de volgende in dit
geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Gedaagde heeft op 31 december 1998 een aanvraag om een uitkering op
grond van de Algemene bijstandswet ingediend. Bij besluit van eveneens
31 december 1998 heeft appellant die aanvraag afgewezen op de grond dat
gedaagde het Nederlanderschap had verloren en geen verblijf status had.
Bij besluit op bezwaar van 28 september 1999 heeft appellant het besluit
van 31 december 1998 ingetrokken. Bij besluit van 8 juni 2000 heeft
appellant de aanvraag om bijstand van 31 december 1998 opnieuw afgewezen.
Bij besluit op bezwaar van 2 maart 2001 (besluit 1) heeft appellant aan
gedaagde over de periode van 31 december 1998 tot en met 26 januari 1999
alsnog bijstand toegekend. Daarbij heeft appellant overwogen dat -
inmiddels - was gebleken dat gedaagde onafgebroken in het bezit was
geweest van de Nederlandse nationaliteit en dat door een administratieve
fout (van de Nederlandse ambassade te Paramaribo, Suriname) de schijn
was gewekt dat dit niet het geval zou zijn.
Bij brief van 13 april 2000 heeft gedaagde, voorzover hier van belang,
verzocht om vergoeding van de wettelijke rente. Bij besluit van 3 juli
2000 heeft appellant dat verzoek afgewezen. Bij besluit op bezwaar van -
eveneens - 2 maart 2001 (besluit 2) heeft appellant die afwijzing
gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het beroep tegen besluit 1 ongegrond
verklaard, het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard, besluit 2
vernietigd en bepaald dat appellant aan gedaagde de wettelijke rente
vergoedt over de niet tijdig betaalde bijstandsuitkering over de periode
van 31 december 1998 tot en met 26 januari 1999.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd voorzover deze betrekking heeft op besluit 2. Hij heeft
aangevoerd dat, gelet op de toentertijd voorhanden zijnde gegevens, niet
kan worden gezegd dat de besluitvorming destijds onrechtmatig was en dat
daarom vergoeding van de wettelijke rente niet aan de orde is. Dat - bij
besluit 1 - het besluit van 31 december 1998 nadien niet is gehandhaafd
omdat nieuwe feiten daartoe aanleiding gaven, maakt dit volgens
appellant niet anders.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Van het besluit van 31 december 1998 is naar het oordeel van de Raad
gebleken dat het onrechtmatig is. Appellant heeft dit besluit, waarbij
gedaagdes aanvraag om bijstand werd afgewezen, immers bij het besluit
van 28 september 1999 ingetrokken en - uiteindelijk - bij besluit 1 aan
gedaagde alsnog met ingang van 31 december 1998 bijstand verleend.
Daarmee staat vast dat bij het besluit van 31 december 1998 aan gedaagde
ten onrechte een bijstandsuitkering is onthouden.
Met de onrechtmatigheid van het besluit van 31 december 1998 is in
beginsel ook de schuld van appellant met betrekking tot die
onrechtmatigheid gegeven. Dit betekent dat op appellant de verplichting
rust de schade te vergoeden die gedaagde heeft geleden als gevolg van de
onrechtmatige besluitvorming, behoudens indien zich bijzondere
omstandigheden voordoen. Daarvan is de Raad evenwel niet gebleken. Dat
appellant is teruggekomen van zijn besluit van 31 december 1998 omdat de
hiervoor vermelde nieuwe feiten daartoe aanleiding gaven, kan niet als
bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en
dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging
in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep is geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. H.J. de
Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W.
van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 april
2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|