|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4602 BZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5
augustus 2003, reg.nr. NABW 03/71.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 29
maart 2005, waar partijen - na voorafgaand bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellant heeft op 10 december 2001 een aanvraag om bijstand ingediend
voor bedrijfskapitaal en noodzakelijke kosten van het bestaan op grond
van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen (Bbz) voor het starten van een kapsalon.
Bij besluit van 21 mei 2002 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen. Aan
de afwijzing heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is
gebleken dat er geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf.
Bij besluit van 19 november 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 21 mei 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 19 november 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Appellant is van mening dat hij, gelet op zijn inzet en jarenlange
ervaring, in staat moet worden geacht een renderende kapsalon te
exploiteren. Voorts meent appellant dat door [naam medewerker],
medewerker van gedaagde, het vertrouwen is gewekt dat hij in aanmerking
zou komen voor de gevraagde bijstand.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Abw wordt aan de persoon die
uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of
zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is, na beëindiging van die
uitkering gedurende ten hoogste 36 maanden algemene bijstand verleend.
Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz wordt onder
levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep verstaan: het bedrijf of
zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na
bijstandverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige
inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of
zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan.
Gedaagde heeft het ondernemingsplan van appellant onderzocht op
levensvatbaarheid en hierbij gebruik gemaakt van de markt- en
branche-informatie zoals opgenomen is “Cijfers en Trends” van de
Rabobank (gemengde kapsalon), en afkomstig van de Koninklijke Algemene
Nederlandse Kappersorganisatie. Op basis hiervan heeft gedaagde
geconcludeerd dat appellant in zijn ondernemingsplan ten opzichte van de
branche-informatie een te hoge brutowinstmarge heeft begroot en een te
hoge omzet per arbeidskracht, alsmede dat de huisvestingskosten van
appellant in relatie tot de omzet hoger zijn dan hetgeen gebruikelijk is
in de branche. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde op
basis van dit onderzoek terecht tot de conclusie is gekomen dat de
kapsalon, zoals appellant die wil starten, niet levensvatbaar is. De
enkele verwachting van appellant, zonder nadere cijfermatige
onderbouwing, dat er wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf, kan de
Raad niet tot een ander oordeel brengen.
Met betrekking tot de grief van appellant dat hij op basis van de
informatie van [naam medewerker] op een gunstig besluit mocht
vertrouwen, is de Raad evenals de rechtbank op grond van de beschikbare
gegevens niet gebleken.
Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten in tegenwoordigheid van mr. P.E.
Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2005
.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.E. Broekman.
|
|